Arno Bisschop: Onveilige werksfeer in ziekenhuizen

Arts Arno Bisschop: ‘Het is de hoogste tijd dat instellingen en stafleden erkennen dat onveilige werksituaties dagelijks plaatsvinden’

Te vaak heerst er een masculiene, onveilige werksfeer in ziekenhuizen waar artsen en verpleegkundigen worden opgeleid. Arno Bisschop, arts en oprichter van TalentCare wil een cultuuromslag, en zonodig disciplinaire maatregelen.

Dit opiniestuk werd op 7 september 2019 gepubliceerd in de volkskrant

‘Hou gewoon je bek. Je weet hier geen kloot van’, bulderde de chirurg. Ik was net begonnen als arts-assistent en had al mijn moed bij elkaar geraapt om een vraag te beantwoorden over een onderwerp waarop ik kort daarvoor was gepromoveerd. Extreem gemotiveerd als ik was om orthopedisch chirurg te worden, moest en zou ik laten zien dat ik de gedoodverfde kandidaat was voor die opleidingsplek tot medisch specialist. Dit was hét moment om me te profileren, dacht ik. Ten overstaan van alle arts-assistenten, coassistenten en specialisten kafferde de chirurg mij uit. Ik ervoer een mix van boosheid en angst, maar hield mijn mond omdat ik deze specialist de hele dag zou moeten assisteren in de operatiekamer.

Op dat moment dacht ik nog dat dit voorval een uitzondering was, gewoon botte pech. Maar het blijkt dat dit soort onveilige werksituaties en veel ergere schering en inslag is in de zorg, voor zowel vrouwen als mannen.

Vanuit mijn werk bij zorgorganisatie TalentCare, waar ik fungeer als klankbord voor artsen en anderen, spreek ik dagelijks met aiossen (artsen in opleiding tot specialist) en aniossen (artsen niet in opleiding tot specialist) – hierna kortweg ‘jonge artsen’ – die mij eveneens melden geregeld in onveilige werksituaties te verkeren. 

Ik hoor vaak de geijkte verhalen: een chirurg die wel erg vaak langs de borst van een vrouwelijke collega schuurt vanwege de ‘gebrekkige ruimte in de operatiekamer’, een cardioloog die een vrouwelijke collega op een congres aanbiedt een hotelkamer te delen, of een internist die bij de nachtelijke hulpvraag van een jonge arts die voor de eerste keer palliatieve sedatie moet toepassen bij een stervende patiënt, grofweg meldt: ‘Los dat zelf maar op; hiervoor kom ik nu mijn bed niet uit!’

Elke zorgverlener kent dergelijke verhalen en waarschijnlijk geldt dat tevens voor vele patiënten. Soms halen ze het nieuws. Zo berichtte deze krant eerder dit jaar over een traumachirurg in Twente die werd ontslagen na meldingen over ‘agressief gedrag’ en ‘seksuele intimidatie’.

Veel rotte appels

Het is goed dat dit soort zaken aan het licht komen. Het gaat echter niet om een paar rotte appels, maar om een gedrag dat is ingebakken in de cultuur. Maar liefst 30 procent van de 3.098 artsen die in 2018 door vakblad Medisch Contact zijn geënquêteerd, zegt ooit een seksueel grensoverschrijdende situatie te hebben meegemaakt op het werk. Van hen heeft meer dan de helft te maken gehad met ongewenste aanrakingen, van billen knijpen en borsten betasten tot op de mond zoenen, aldus dit ‘#MeToo op de werkvloer’-onderzoek. Ruim 10 procent maakt melding van het ontvangen van seksueel getinte berichten via WhatsApp of e-mail. Een vergelijkbaar percentage zegt zelfs een grensoverschrijdende relatie te hebben gehad.

Uit andere recente onderzoeken blijkt eveneens dat het op universiteiten en in zorginstellingen bar en boos is. Volgens vakbonden FNV en VAWO hebben vier op de tien medewerkers op universiteiten persoonlijk te maken (gehad) met onveilige werkomgevingen. En uit een inventarisatie van CNV Jongeren blijkt dat een op de acht jonge zorgverleners ervaring heeft met burn-out ‘omdat zij niet op een veilige en gezonde manier kunnen werken’. 

Uit onderzoek begin dit jaar uitgevoerd door De Geneeskundestudent (DG), belangenbehartiger van geneeskundestudenten in Nederland, blijkt bovendien dat geneeskundestudenten die coschappen lopen dit soort onveilige situaties extreem weinig melden bij de speciaal daarvoor aangestelde vertrouwenspersonen van de zorginstellingen.

Arno Bisschop, arts en oprichter van zorgorganisatie TalentCare. Beeld Jeroen Berends

Juist in de zorg

Hoe kan het nou juist in de zorg zo ontsporen? In een sector waar de menselijke maat juist centraal staat en waarvoor je kiest – tenminste, dat deed ik – omdat je graag iets voor anderen wilt betekenen. 

Enerzijds wordt dit gedrag gevoed door de sterk hiërarchische verhoudingen, aangevuld door het klassieke leerling-meesterverhaal. Daarbij is in de zorg alles ook nog eens flink dichtgetimmerd met strikte protocollen en strak afgebakende rollen. En sommige medische specialisten leven deze rol continu. Ze geloven echt dat zij een verheven positie hebben binnen een team, waarbij aanzien, macht en een exorbitant salaris vanzelf spreken. Het leidt bij sommige individuen tot een gevoel van onschendbaarheid, waardoor ze zich alles denken te kunnen permitteren. 

Die bijzondere status wordt onbewust ook al bij jonge artsen gevoed door allerlei ongeschreven regels die gebaseerd zijn op het klassieke rolmodel van de dokter. Je moet je gevoelens onder controle houden. Je moet wel 15 uur achter elkaar door kunnen knallen. Je laat nooit een steek vallen. En je bent na de specialist als arts natuurlijk de belangrijkste persoon in het medisch team.

Daar komt bij dat botheid en apengedrag al bij jonge artsen wordt aangewakkerd – ooit dreigde ik zelf ook zo te worden. Ik wilde me koste wat het kost in de chirurgische wereld profileren en daar horen bepaalde stappen bij. Keihard studeren en werken gedurende een heel lang traject. Het is een uitputtingsslag. Je denkt dat je rücksichtslos voor je doel moet gaan, dat je flink wat ellebogenwerk moet verzetten zodat jij die opleidingsplek krijgt en niet jouw collega-studenten, dat je je moet gedragen alsof je iemand bent die alles weet en geen twijfel kent, dat het ‘mannetje zijn’ nodig is om je einddoel te bereiken. Met dat soort gedrag, dat er langzaam insluipt, vervreemd je je van jezelf.

Heb je je baarmoeder nog?

Het voorval dat mijn ogen opende, was het sollicitatiegesprek van een studiegenoot voor een opleidingsplek in een ziekenhuis. Haar werd recht op de vrouw af gevraagd: ‘Heb je je baarmoeder nog?’ In de wandelgangen bleek later dat deze specialist structureel snerende opmerkingen maakte over ‘vrouwen die zwanger werden tijdens de opleiding’. De boodschap was duidelijk: daar was deze medisch specialist niet van gediend. Dat leidde vervolgens tot een taboe op de afdeling om überhaupt te praten over zaken als een kinderwens. En zelfs tot schuldgevoelens over wat je als jonge (vrouwelijke) arts wellicht ooit graag wenst. Of erger: twijfels over wie je wel of niet mag zijn als mens. Mijn studiegenoot heeft geen melding gedaan; dat durfde ze niet. De baan kreeg ze niet, terwijl ze bewust promotie-onderzoek had verricht om meer kans te maken op die schaarse opleidingsplek. Of de aanwezigheid van haar baarmoeder haar die plek echt heeft gekost, zal ze nooit weten.

Bij mij viel het kwartje op tijd, maar ik wil liever niet weten hoe ik zou zijn geworden als ik wel als ‘winnaar’ op die apenrots had gestaan.

Inmiddels werk ik met artsen en andere zorgprofessionals die tegen dezelfde dingen aanlopen en zich, net als ik, op een andere manier willen ontwikkelen met als doel de cultuur in de zorg te veranderen en te verbeteren. Hoe meer jonge artsen voor zichzelf opkomen, des te veiliger de werksituatie weer wordt. Maar waar zitten vooral de pijnpunten?

Pijnpunten

Allereerst worden hulpvragen van jonge artsen veel te vaak genegeerd of niet altijd serieus genomen door hun begeleidende medisch specialisten. Dat leidt tot onzekerheid, stress en fouten bij de zorgverleners en daardoor ook tot grotere patiëntonveiligheid. 

Een tweede pijnpunt is machtsmisbruik. Jonge artsen ambiëren een opleidingsplek en doen hun best om zich te profileren. Dit wordt uitgespeeld door sommige specialisten: ‘Als jij dit nu niet doet, kun je die opleidingsplek wel op je buik schrijven.’ Vul bij ‘dit’ een onredelijke eis in; van extreem overwerken, onderzoekswerkzaamheden verrichten naast een 60-urige werkweek of extra diensten doen. De jonge arts zit volledig in de tang van de zogenaamd befaamde specialist of opleider. Omdat hij (het is vaak een man) letterlijk carrières kan maken en breken. 

Het derde punt is seksuele intimidatie: van ongepaste opmerkingen, ongewenste handtastelijkheden tot het verrichten van ongepaste handelingen.

Naar mijn mening is het de hoogste tijd dat instellingen en stafleden erkennen dat onveilige werksituaties dagelijks plaatsvinden en dat de goeden (gelukkig de grote meerderheid) hieronder lijden. Dat is funest voor een goede leeromgeving. Voor veel jonge en andere gedreven zorgverleners die nog wél normaal gedrag vertonen, wordt het plezier vergald.

Stervoetballers

Vervolgens moeten raden van bestuur en collega-specialisten eerder ingrijpen, dus leiderschap tonen en daarbij lak hebben aan reputaties. Zo werd de 20-jarige stervoetballer Kylian Mbappé van het Franse elftal – en voor bijna 200 miljoen gekocht door Paris Saint-Germain – onlangs door zijn trainer op de bank gezet nadat hij te laat was gekomen voor een bespreking. Ja, dat is een onschuldig vergrijp, maar trainer Tuchel meldde: ‘Het collectief is altijd belangrijker dan het individu.’ Dat is de juiste mindset, al moeten we voorkomen dat we iemand direct afserveren na een misstap. Zet hem (of haar) op zijn (of haar) plek, biedt tegelijkertijd hulp aan en geef hem of haar vervolgens een nieuwe kans. Mbappé scoorde na drie minuten toen hij in de bewuste wedstrijd toch nog mocht invallen.

Daarnaast pleit ik voor hard ingrijpen, voor het eerder nemen van disciplinaire maatregelen. Bij ongepast gedrag komen deze nu vaak te laat – als het al volledig is misgegaan – en zijn ze heel definitief: ontslag of zelfs door de tuchtcommissie uit je ambt worden gezet. Als we eerder optreden, ontnemen we de boosdoeners de kans om dergelijk gedrag structureel te vertonen. Ook bied je hun de mogelijkheid hun gedrag te verbeteren.

Het pakket aan maatregelen kan ook uitgebreider. Laat de boosdoener publiekelijk excuses aanbieden, zodat het inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen voelbaar wordt. Of stel een operatieverbod van twee weken in en ja, dat betekent ook korting op salaris of inkomsten. Met andere woorden: straf de daders vooral daar waar ze last of ongemak ervaren bij het hooghouden van hun vaak ‘onaantastbare’ zelfbeeld. Veel specialisten zijn namelijk – net als andere hooggeplaatsten in de samenleving – verslaafd aan de drug van financiële en maatschappelijke status. 

Haal ze daarnaast, in ieder geval tijdelijk, van hun ‘opleidende’ posities af, en bij recidive resoluut voor altijd. Als een specialist structureel van jonge artsen verlangt dat zij werkweken van meer dan 60 uur draaien onder het mom van ‘anders kun je die opleidingsplek op je buik schrijven’, is deze specialist immers niet geschikt als opleider. Een instelling moet dan een signaal afgeven en hem of haar de taak als opleider ontnemen.

Do’s en don’ts

Tot slot is het zaak dat jonge artsen zich eerder durven uitspreken. Dit kan alleen als de opleidingsorganisatie of het ziekenhuis vooraf aangeeft wat wel en niet door de beugel kan. Stel bijvoorbeeld gezamenlijk met het team een lijst op met do’s en don’ts en een protocol wat de maatregelen zijn bij overtredingen. Een complimentje over een nieuw kapsel mag. Een seksueel getint grapje over een strak zittend truitje niet. Het begint met het signaleren en bespreekbaar maken van ongepast gedrag. Dat bevordert het gevoel van veiligheid al enorm. Een goede eerste stap hiertoe is de recentelijk gestarte campagne #zouikwatzeggen? van de geneeskundefaculteit van het Amsterdam UMC.

Ik hoop dat dit soort initiatieven, aangevuld met het eerder optreden bij ongepast gedrag, navolging krijgt in heel Nederland. En dat de uitkomst is dat geneeskundestudenten, jonge artsen en andere zorgverleners het volstrekt normaal gaan vinden om hun grenzen aan te geven bij grensoverschrijdend gedrag. Want niemand is groter dan het team, ook niet in de zorg.

Een goede arts hoeft echt niet te promoveren

De druk op jonge artsen om eerst nog een proefschrift te schrijven is groot. Dat is verspilling van zorgkracht, vindt arts Arno Bisschop, oprichter en medisch eindverantwoordelijke bij Talent&Care.

Dit opiniestuk werd op 9 april 2019 gepubliceerd in dagblad Trouw

We willen meer handen aan het bed, toch laten we jonge dokters vaak eerst jarenlang onderzoek doen. Een goede arts hoeft niet te promoveren. Omdat promoveren voor velen een ‘moetje’ is om in aanmerking te komen voor een opleidingsplek. Dat is verspilling van zorgkracht in tijden van personeelstekorten. 

Een landelijk tekort aan huisartsen dreigt, meldde de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) onlangs. En voor andere specialisten zoals kinderartsen of psychiaters geldt dat die erg schaars zijn in randprovincies. Hoe dit komt? Onder andere doordat we onszelf met basisaannames of ingesleten cultuurpatronen vastzetten. Zo luidt in zorgorganisaties vaak nog het credo: een ‘goede dokter’ is gepromoveerd. Maar is promoveren echt wel nodig?

Nee, je bent als psychiater of cardioloog heus niet meer bekwaam als je een doctorstitel op zak hebt. Uitzonderingen daargelaten, maar onderzoek doen is niet hetgeen wat ooit bij tieners de doorslag gaf om geneeskunde te studeren. Zorgverleners willen patiënten genezen of het leven van hen dragelijker maken. Dát is de drijfveer, niet het doen van onderzoek. Dan is het verwonderlijk dat juist medische faculteiten de kroon spannen wat betreft het aantal promovendi. Zo werd in 2017 bijna de helft van de promotieonderzoeken van de Universiteit van Amsterdam (UvA) gedaan bij de geneeskundefaculteit, aldus het Rathenau Instituut.

Promotievirus

Promoveren is voor de meeste jonge dokters echter vooral een kwestie van profileren, van CV-building. “Zo’n opleidingsplek krijg ik alleen als ik promoveer. Want ik heb toch echt een uitmuntend CV nodig, of niet?” Dit soort zinnen hoor ik bijna wekelijks in gesprekken met de nieuwe generatie zorgverleners. Zelfs mensen van begin twintig zijn dus al volledig besmet met het virus dat je als ambitieuze jonge dokter ‘verplicht’ moet promoveren.

En dat lukt dan vaak ook nog niet. Wereldwijd haakt 30 tot 50% vroegtijdig af bij een promotieonderzoek, becijferde het Vlaamse onderzoeksbureau ECOOM. Ik denk dat de belangrijkste verklaring voor deze uitval zit in het niet intrinsiek gemotiveerd zijn om onderzoek te doen. De jonge artsen staan niet in hun kracht, omdat ze tijdens zo’n promotie niet doen wat ze het liefst doen: zorg verlenen. Je kunt je dus afvragen of die promotie-gekte niet wat minder kan. Maar zolang opleiders bij maatschappen en zorgorganisaties belang blijven hechten aan ‘gepromoveerd zijn’, blijft die promotiedruk bestaan. Dat moeten we niet willen.

Artsen eerder aan het bed

Promotieonderzoek kost de maatschappij veel geld. Mijn eigen promotieonderzoek, dat nu ligt te verstoffen in een bureaulade, kostte ruim 200.000 euro. Ook ik deed het omdat het goed was voor mijn CV en mijn kansen om in opleiding te komen. Als we hier nu eens mee stoppen, staan jonge artsen voortaan veel eerder aan het bed van een patiënt. Ook in de provincie. En het onderzoeksgeld kan dan naar de wel echt gemotiveerde onderzoekers.

De zorg in Nederland kunnen we alleen verbeteren als we aannames zoals ‘Promoveren maakt een betere dokter’ vaker ter discussie stellen. Er worden nu ook gewoon andere competenties gevraagd van zorgprofessionals dan vroeger. Zorgverleners gaan in de (nabije) toekomst vooral het verschil maken op menselijk vlak. Authentiek menselijk contact tussen zorgverlener en patiënt; dat is waar het straks vooral om draait. We hebben geen promovendi nodig, maar (jonge) artsen die invoelend vermogen hebben én passie voor zorgverlening. Dat moeten de belangrijkste criteria worden voor het krijgen van opleidingsplekken. Wie doet er met me mee om dit meer concreet te maken?

Dr. Arno Bisschop is arts, oprichter en medisch eindverantwoordelijke bij Talent&Care.