Mijn eerste 100 dagen als psychiatrisch verpleegkundige

Medewerkers blog van Britt Degenkamp

Werken op de kinderafdeling van een ziekenhuis? Met jongvolwassenen? Of toch in de psychiatrie? Voor verpleegkundige Britt Degenkamp (23) liggen alle opties nog open. Daarom volgt ze naast haar premaster Gezondheidswetenschappen een ontwikkelprogramma bij TalentCare. Inmiddels zitten haar eerste 100 dagen als verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis erop. Hoe heeft ze die ervaren?”

Werken als verpleegkundige op de afdeling Kind en Jeugd van een ziekenhuis: dat leek me het allerleukst. Maar toen ik klaar was met mijn hbo-opleiding verpleegkunde sloeg de twijfel toe. Was er geen ander specialisme dat ik stiekem nóg leuker vond? Psychiatrie of het werken met jongvolwassenen bijvoorbeeld? In diezelfde periode werd ik via LinkedIn door TalentCare benaderd. Daar kon ik een ontwikkelprogramma volgen en ervaring opdoen binnen specialismen die ik nog niet kende. Ook kon ik mezelf tijdens dit traject nog beter leren kennen om erachter te komen welke functie het beste bij mij past. Die persoonlijke benadering sprak me erg aan. 

Verpleegkunde: verrassend veelzijdig 

Al snel vond TalentCare een functie die paste bij mijn wens om ervaring in de psychiatrie op te doen. In december 2019 ging ik aan de slag als verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis. Hier worden mensen met psychische problemen voor een aantal maanden opgenomen. Vanaf dag één vond ik het werk leuk. Maar ik moest ook wennen: het specialisme psychiatrie was helemaal nieuw voor me. 

Ik kwam er bijvoorbeeld achter dat ik hier als verpleegkundige een andere rol heb dan in een regulier ziekenhuis. Daar sta ik vooral aan het bed en verricht ik medische handelingen. Hier heb ik een begeleidende rol en voer ik veel gesprekken met patiënten. De rol als verpleegkundige is veelzijdiger dan ik dacht.

“Patiënten willen vooral gehoord worden”

De eerste weken liep ik vooral met collega’s mee. Ik leerde patiënten en hun situaties kennen, en voerde de routinewerkzaamheden uit. Die zijn er veel in een psychiatrische setting: structuur is belangrijk voor de patiënten. Ik ondersteun patiënten bij het innemen van hun medicatie, help met dagelijkse dingen zoals boodschappen en begeleid ziekenhuisbezoeken. Ook voer ik één-op-één-gesprekken met patiënten. 

Elke patiënt wil gehoord worden, maar mensen met psychische klachten misschien nog net iets meer. Zij voelen zich vaak niet serieus genomen door de buitenwereld. Niet iedereen reageert even begripvol als iemand zegt dat hij stemmen hoort. Ik heb geleerd om op zo’n moment goed door te vragen naar wat een patiënt ervaart. De klacht altijd serieus te nemen. Dat heeft een positieve invloed op de hele behandeling. De patiënt moet zich veilig voelen om zijn verhaal te vertellen. Zo bouw je wederzijds vertrouwen op en kun je samen werken aan de behandeling.

Leerprocessen

De gesprekken hebben er ook voor gezorgd dat ik een stuk geduldiger ben geworden in mijn werk. Wat ik verder heb geleerd in deze eerste 100 dagen? Ik kan patiënten beter observeren. En die observaties beter interpreteren. Zo zie ik het sneller als iemand een slechte dag heeft. Dan kan ik de patiënt misschien helpen door samen een ommetje te maken en wat te praten. 

“Ik sta ervan versteld hoe de psyche in elkaar zit”

Ik ben ook een stuk zelfverzekerder geworden als verpleegkundige. Ik durf meer initiatief te nemen. Zo geef ik eerder aan dat ‘ik de medicatie wel even doe’. Of verbind ik een patiënt zelf en laat ik mijn collega alleen nog even controleren of het verband niet te strak zit. 

De psychiatrie is een interessante tak van sport. Ik sta ervan versteld hoe de psyche in elkaar zit. Psychoses, waanideeën, suïcidaliteit: er komen heftige ziektebeelden voorbij. Waar patiënten niet zelf voor gekozen hebben. Of ik verder wil in de psychiatrie, weet ik nog niet. Ik vind de hectiek van de vele opnames in een ziekenhuis namelijk ook heel leuk. Binnenkort ga ik weer switchen van werk. Ik ben nog in gesprek met TalentCare wat de volgende stap wordt. 

Toekomstplannen

Verder ben ik druk met mijn premaster Gezondheidswetenschappen. Uiteindelijk wil ik de 

master Zorgmanagement doen. Ja, het is best druk af en toe. Gelukkig is er Netflix om te ontspannen. En heb ik vriendinnen en een vriend om wat leuks mee te doen. Als ik iets heftigs op mijn werk heb meegemaakt, kan ik ook altijd bij mijn moeder en zus terecht. Zij werken ook in de zorg en weten wat er kan spelen op de werkvloer. 

Om me heen zie ik best veel mensen met een burn-out. Daarom kies ik er bewust voor mijn werk niet mee naar huis te nemen. Thuis ben ik bereikbaar voor spoedgevallen, maar meer ook niet. E-mails en ander werk probeer ik daar te laten. Ik heb mijn energie hard nodig om te studeren. Wat ook helpt: TalentCare is altijd betrokken bij mijn werk. De managers vragen regelmatig hoe het gaat en of het niet te veel is. 

“Het contact met patiënten: daar doe ik het voor”

Hoewel ik bewust voor verpleegkunde heb gekozen, weet ik dat ik het fysiek niet eeuwig volhoud. Ik heb snel last van mijn knie en weet hoe zwaar het kan zijn om bedlegerige mensen te tillen. Daarom hoop ik uiteindelijk een baan te vinden waarbij ik mijn werk aan het bed kan combineren met iets anders. Het verbeteren van processen als zorgmanager bijvoorbeeld. Daarover leer ik tijdens mijn master meer.

Wel wil ik voorkomen dat ik de connectie met de werkvloer kwijtraak. Ik zie genoeg managers om me heen die al jaren niet meer aan het bed staan. Dat wil ik niet. Het contact met patiënten is een belangrijke reden waarom ik voor verpleegkunde heb gekozen. Vooral het werken met kinderen vind ik geweldig. Eén van de ervaringen die indruk op me maakte: dat ik een jongen met heftige epilepsievallen even kon laten vergeten dat hij ziek is door een blokkentoren met hem te bouwen. Op zo’n moment zie ik dat ik echt verschil kan maken in de zorg.

Ongevraagde confrontaties

Medewerkersblog van Meike Blezer

Ik ben te dun. 

Ik ben 1.80 meter en weeg 56 kg. Mijn BMI is 17.3. En dus heb ik ondergewicht. Maar ik eet genoeg. Toegegeven: ik ben geen ochtendmens en sla mijn ontbijt vaak over, maar dat haal ik gedurende de rest van de dag ruimschoots in. Ik ben al zo lang als ik me kan herinneren te licht, dat snelle metabolisme is een familiekwaal. Kilo’s erbij eten lukt me niet. Inmiddels accepteer ik wel dat dat nu eenmaal is hoe ik ben. Al denk ik stiekem nog wel eens: staken die ellebogen maar wat minder uit. Maar goed, zo hebben veel mensen wel iets dat ze het liefst aan hun lichaam zouden veranderen. Die spaghetti-armpjes horen gewoon bij mij.

Extra afspraken bij de schoolarts

Ik weet dat ik statistisch gezien onder de risicogroepen val voor het ontwikkelen van een eetstoornis. Ik ben een jonge, hoogopgeleide vrouw met een hoog streefniveau, die kritisch op zichzelf is en soms wat perfectionistische trekjes heeft. 

Het is dan ook niet vreemd dat ik extra afspraken kreeg bij de schoolarts voor een vinger aan de pols. Begrijp me niet verkeerd, dat is een goed idee, als je bedenkt dat het grootste deel van de eetstoornispatiënten altijd onder de radar blijft. Maar iets minder goed voor het zelfvertrouwen van een jong, plat meisje zónder eetstoornis, dat de vorm van haar lichaam altijd al wat ingewikkeld vond door haar juveniele idiopathische scoliose en de brace die ze daarvoor droeg. 

“Ik kom hier met de beste bedoelingen en dan krijg ik dit naar mijn hoofd”

Verstopte onzekerheid

Inmiddels zijn we heel wat jaren verder en heb ik die tieneronzekerheden achter me gelaten. Dacht ik. Patiënten kunnen je soms echter onverwacht met gevoelens confronteren waarvan je niet wist dat ze nog ergens verstopt zaten. 

Zo werkte ik een paar maanden geleden nog bij de Acute Psychiatrie. Mijn collega en ik waren bij een manisch psychotische vrouw thuis om te proberen intensieve thuiszorg te starten, zodat ze niet opgenomen zou hoeven worden. Door nare ervaringen in het verleden was ze erg achterdochtig. Ze bleef afhoudend in het contact en de angst dat we haar pasgeboren baby kwamen afpakken was enorm. 

Terwijl wij haar vertrouwen proberen te winnen, rustig uitleggen waarom we ons zorgen maken en hoe we haar willen helpen, blijft haar boosheid borrelen. Plots wijst ze met een priemende vinger naar mij: “En wat denk jij dat je hier aan het doen bent?! Jij hebt zeker zelf anorexia, doe daar anders wat aan!” 

Er schiet van alles door me heen. Verontwaardiging: pardon?! Ik kom hier met de beste bedoelingen om jou te helpen en dan krijg ik dit naar mijn hoofd. Onzekerheid: huh, denken mensen dit nog steeds? Zo dun ben ik toch niet? Had ik beter lange mouwen kunnen dragen? Vermaak: ze brengt het namelijk érg grappig, ook dat hoort bij haar manie. En bovenal medeleven: die arme vrouw kijkt zo bang, ze is net een kat in het nauw die uithaalt. 

Pijnlijk confronterend

Hoe ik reageer? Ik zucht en zeg op rustige toon dat ik geen anorexia heb en dat ik het niet prettig vind dat ze dat zegt. Ik ben hier om haar te helpen, wil haar baby absoluut niet van haar afnemen en wil juist zorgen dat ze zich niet meer zo ellendig, bang en boos voelt. Ze stormt naar buiten, ons wat verloren op haar bank achterlatend. 

Even later komt ze schoorvoetend terug en verontschuldigt ze zich voor haar opmerking. Ze legt uit dat ik haar doe denken aan een meisje dat anorexia had en dat ze kent van een eerdere opname. Vandaar dat ze dit er zo uitflapte. Pijnlijk confronterend. Maar ik glimlach en bedank haar voor de gemaakte excuses. Zij lijkt dankbaar dat ik niet boos ben en haar niet afwijs, ik ben blij dat we voor even door haar verdedigingsmuren gebroken zijn.

Laat het gaan

Enkele dagen later heb ik ’s avonds op de kliniek een opnamegesprek met een andere patiënte. Ook zij heeft een manisch psychotisch beeld. Omdat we ons zorgen maakten over het gedrag dat ze over zichzelf kon afroepen, leek het ons beter dat ze een tijdje opgenomen werd. We konden haar niet dwingen, maar wel ons best doen haar vrijwillig opgenomen te houden. Met deze opdracht in mijn achterhoofd, ging ik voorzichtig met haar om, zodat de situatie niet zou escaleren. 

Het is meteen duidelijk: deze dysfore mevrouw is haar grip op de realiteit kwijt. Ze raast maar door over hoe bagger de service in deze pleuristent eigenlijk is en hoe stoned ze wordt van de onzichtbare medicatiedeeltjes in de lucht, terwijl ze deze probeert weg te wapperen. Ondertussen commandeert ze iedereen ongegeneerd rond, ook de andere patiënten.

“’s Nachts spoken de opmerkingen van beide patiënten nog steeds door mijn hoofd”

Midden in haar niet te volgen verhaal  veert ze plots op en kijkt ze me recht aan. Opeens zegt ze poeslief: “Is dit altijd jouw gewicht geweest, joh? Zo fijn!”, terwijl ze iets te amicaal over mijn arm strijkt. Ik probeer haar opmerking luchtig weg te wuiven en met een grapje van onderwerp te veranderen, maar ze laat zich helaas niet zo makkelijk afleiden. Ze slaat net zo snel weer om en ze tiert furieus door over de keer dat ze gedwongen werd opgenomen omdat ze te veel was afgevallen. “En toen was ik echt nog dikker dan jij!!”  De verpleegkundige kijkt me met grote ogen aan en schudt haast onzichtbaar zijn hoofd. Hij heeft gelijk. Niet op ingaan, dan blijft ze hier zeker niet. Ik laat het gaan en spreek met haar af dat ze in elk geval één nachtje blijft slapen om even bij te tanken.

Spaghetti-armpjes

Als ik ’s nachts onderweg naar huis ben, spoken de opmerkingen van beide patiënten nog steeds door mijn hoofd. Ergens kan ik het heus relativeren en begrijp ik de context waarin deze zieke vrouwen dit zeggen. Maar dat ik blijkbaar de associatie van een anorexiapatiënt blijf oproepen knaagt alsnog aan me. Zal ik weer opnieuw proberen aan te komen? Misschien moet ik dan toch een sportschoolabonnement nemen. Spieren wegen immers zwaarder dan vet, toch? Ik grinnik om mezelf. Nee. Ik ga me niet laten kennen door deze dames. Deze spaghetti-armpjes horen gewoon bij mij.

Hoe je goede intervisiegesprekken leidt

Het verbeterinitiatief van Christine Kers-van Seters

Arts-assistent Christine is pas 27, maar heeft al heel wat ervaring in het leiden van groepsgesprekken. Tijdens haar studententijd deed ze dat bij haar vereniging en ook op haar opleiding oefende ze de vaardigheid vaak. Dus toen de communicatie tussen de verpleegkundigen op haar vorige werkplek niet lekker liep, zag Christine meteen een oplossing voor zich. Kon zij geen groepsgesprekken leiden? Over zaken waar zorgmedewerkers tegenaan liepen? Het verhaal over een geslaagd verbeterinitiatief.

Christine werkt in de ouderenzorg. Een deel van haar tijd werkt ze met revaliderende patiënten. Binnenkort is ze ook op de afdelingen somatiek en psychogeriatrie te vinden. Haar vorige baan was bij een organisatie in de ouderengeneeskunde, die middenin een groot veranderingsproces zat. Verschillende afdelingen werden opgesplitst en van grootschalig wonen gingen de ouderen naar kleinschalig wonen. Oftewel: van twintig patiënten op één afdeling naar acht.

Wat deze verandering betekende? Zorgverleners kwamen ineens alleen op een afdeling te staan, terwijl ze eerst nog met drie of vier collega’s tegelijkertijd werkten. Het gevolg: “Door de dag heen waren er minder overlegmomenten”, legt Christine uit. Ook kwamen er nieuwe medewerkers bij. Kortom: er moest op een andere manier samengewerkt worden.

Weinig samenwerking

Het grootste euvel van de nieuwe opzet was dat de communicatie nog niet meteen van een leien dakje ging. “Veel zorgverleners hadden zoiets van: ik los mijn probleem op tijdens mijn dienst en de dienst erna moet het verder maar oplossen”, stelt de arts-assistent. “In plaats van dat ze samen een structureel plan maakten, zodat de problemen zich in de toekomst niet voor bleven doen.”

Christine Kers-van Seters

Om wat voor issues het ging? Een patiënt die zorg weigerde of juist alleen door bepaalde zorgverleners geholpen wilde worden. Of verzorging die er niet aan gewend was nu verpleegtaken te doen. Sommige verzorgers hadden daar wel ervaring mee, anderen helemaal niet. “De kennis was er wel, maar werd nog niet genoeg met elkaar gedeeld”, merkte Christine. “De medewerkers zochten elkaar niet op. “Omdat ik de arts-assistent van het team was, legden ze vragen bij mij neer. Kon ik hun problemen niet oplossen? Maar die verantwoordelijkheid lag ook bij hen.”

Intervisies

Hoe kan ik de communicatie nu verbeteren, dacht Christine, zodat de samenwerking in de toekomst soepeler verloopt en de patiëntenzorg dus verbetert? Al snel dacht ze aan intervisies. Bij TalentCare deden ze dat vaker en Christine had veel gehad aan die groepsgesprekken. Daar analyseerden ze samen een probleem en gaven ze elkaar advies. De arts-assistent besloot de intervisies in te zetten als verbeterinitiatief. De locatiemanager en teamleider waren meteen enthousiast over haar idee en ze kreeg groen licht.

De eerste intervisie vindt eind september 2019 plaats. Iedere week, tijdens de wisseling van de dagdienst naar de avonddienst, verzamelen zes à zeven zorgmedewerkers zich. Eén intervisie duurt zo’n 30 tot 45 minuten. Afhankelijk van de grootte van de problemen praten ze over één of twee patiënten. Tijdens elk gesprek worden notulen gemaakt en actiepunten besproken. Zodat het niet te vrijblijvend blijft. “Het moest wel ergens toe leiden”, aldus Christine.

“Ik kreeg de ruimte van zorgmedewerkers om vragen te stellen”

Vragen stellen en samenvatten

“Het idee van de intervisies was vooral dat de zorgmedewerkers eventuele problemen met elkaar gingen oplossen”, benadrukt Christine. “Ik zou het gesprek leiden, maar wel een ondergeschikte rol aannemen. Open vragen stellen, nieuwsgierig zijn, structuur in het gesprek houden, conclusies samenvatten en af en toe wat aanvulling geven vanuit mijn medische achtergrond. Zíj moesten het gesprek uiteindelijk samen voeren. En zelf met ideeën komen voor oplossingen.”

Vragen die Christine bijvoorbeeld stelde tijdens een gesprek: Waar lopen de medewerkers tegenaan? Wat hebben patiënten precies nodig? Wat kan beter? Hoe kan dat beter? Zo was er een vrouw die weigerde haar haren te wassen. Het verzorgend personeel vond dat niet hygiënisch. “Ik liet ze dan bedenken hoe ze het gesprek aan konden gaan met de patiënt. Waar vraagt ze naar? Wat zit daarachter?” Belangrijke startvragen waren volgens Christine ook: wat is het precieze probleem nu eigenlijk? En voor wie? Zodat ze over de juiste oplossing nadachten.  

Omdat Christine al tijdens haar coschappen en bij haar studentenvereniging groepsgesprekken had geleid, voelde het meteen natuurlijk om de leiding te pakken. “Ik kreeg ook wel de ruimte van de zorgmedewerkers om vragen te stellen”, vertelt ze. “Ze waren from the start positief over mijn idee.”

Persoonlijke uitdagingen

In het begin liep ze er tegenaan dat de zorgmedewerkers de patiënten goed kenden, omdat ze dagelijks met hen werkten. Ze wisten dus meteen waar een case over ging. Terwijl Christine soms minder bekend was met een patiënt. “Dat voelde wel gek. Dan moesten ze me eerst wat  extra uitleg geven.” Het voordeel: voor de hand liggende vragen kon Christine overslaan en ze ging meteen de diepte in.

Een andere uitdaging was om zelf niet meteen met een mening of antwoord te komen. “Ik ben iemand die graag antwoorden geeft”, lacht Christine. “Ik moest mezelf echt dwingen even te wachten en de rest wat te laten bedenken. Als we een onderwerp gingen afsluiten, kon ik nog wel een aanvulling geven.”

De ambitieuze Christine merkte al snel dat ze met het hele zorgteam veel uit de intervisies haalde. “Wederzijds begrip”, noemt ze. “Het besef dat we elkaar nodig hadden om ons werk tot een succes te maken. Dat we veel van elkaar konden leren. Iedereen begon elkaars sterke kanten te zien – en te waarderen.” Het team ging meer als groep samenwerken. Waar ze voorheen geen tijd of energie hadden om te overleggen, planden ze nu zelf sparmomenten in.

“Door dit verbeterinitiatief voel ik mezelf een completere arts”

Continuïteit

De enige beer op de weg: Christine begon in december met een nieuwe baan. Dat wist ze al toen ze met de intervisies startte. Hoe zou haar verbetertraject dan standhouden? “Ik heb twee verpleegkundigen van wie ik dacht dat zij dat goed zouden kunnen, gevraagd of ze mijn rol over wilden nemen.” De eerste vier gesprekken gaf Christine het voorbeeld, daarna namen de twee verpleegkundigen het over en gaf Christine feedback. Haar begeleider bij TalentCare gaf haar tips hoe ze dat het beste kon doen. Want Christine had hierover ook niet de volledige wijsheid in pacht.

Haar verbetertraject heeft het zorgteam enorm geholpen. Ook zelf kwam Christine tot andere inzichten. “Ik realiseer me nog meer hoe belangrijk overlegmomenten zijn in de zorg. Om de zorg te verbeteren, is goede communicatie cruciaal. Tussen zorgverleners onderling, maar ook tussen zorgverlener en patiënt. Ik ben heel blij dat deze organisatie de ruimte gaf om de communicatie te verbeteren.”

Van collegebank naar eigen huisartsen praktijk

Medewerkersblog Shannen Houweling

Twee jaar geleden zat ze nog in de collegebanken. Daarna ging ze aan de slag als ANIOS psychiatrie en basisarts ouderengeneeskunde. Het TalentCare ontwikkelprogramma bracht Shannen Houweling (26) naar de volgende stap in haar carrière: huisarts in opleiding. “Het gevoel dat ik er klaar voor was, kwam sneller dan ik dacht.”

Ik had mijn studie geneeskunde bijna afgerond toen ik werd benaderd door TalentCare. Of ik al wist wat ik hierna wilde doen. Ik wilde huisarts worden, maar twijfelde nog. Op professioneel vlak had ik de laatste jaren veel geleerd. Maar was ik er persoonlijk ook klaar voor? En was dit écht wat ik wilde? Want gevoelsmatig zou ik mezelf met deze keuze toch voor zo’n veertig jaar vastleggen. TalentCare bood mij een persoonlijk ontwikkeltraject aan. Omdat ik vroeger een leuke bijbaan in de zorg had gekregen via StudentCare, het zusje van TalentCare, besloot ik deze kans te pakken.

Koers bepalen

Mijn ontwikkeltraject duurde ongeveer twee jaar. De stip aan de horizon was de opleiding tot huisarts. Ik wilde het gevoel hebben dat ik het aankon. De vraag was wat ik daarvoor nodig had, professioneel en persoonlijk. Om mijn koers te bepalen, voerde ik veel gesprekken met de managers van TalentCare. Zij stelden vragen als: Hoe gaat het op je werk? En persoonlijk? Hoe is de balans tussen werk en privé? Maar ook: Wat doen de werkervaringen met je? Wat zijn je drijfveren? Je belangrijkste waarden? Ik kwam erachter dat ik me niet wilde toeleggen op één medisch specialisme. Ik wil juist mensen van allerlei leeftijden helpen, met verschillende soorten problematiek. En ik haal veel voldoening uit mijn relatie met de patiënt. De gesprekken bevestigden mijn gevoel dat de rol als huisarts me goed zou passen.

Ik had ook persoonlijke hulpvragen. Tijdens werksituaties liet ik me te veel leiden door de mening van anderen. Daardoor week ik soms van mijn eigen koers af. Als arts is dat een valkuil. Je hebt met verschillende belangen te maken, bijvoorbeeld die van verpleegkundigen of patiënten. Ik deelde dit tijdens gesprekken en intervisiebijeenkomsten van TalentCare. Zo kwam ik erachter dat ik het nooit voor iedereen goed kan doen. En dat ik teamleden ook mee kan krijgen als ik een eigen standpunt inneem. Dat was voor mij een eye-opener.

‘Sommige casussen van patiënten komen heel dichtbij’

Daarnaast volgde ik onderwijs en deed ik werkervaring op. Door bij verschillende specialismes een kijkje in de keuken te nemen, kon ik nog betere afwegingen maken. En beter beoordelen of ik echt huisarts wilde worden. De managers van TalentCare dachten mee. Zij kennen veel opdrachtgevers en stelden voor aan de slag te gaan in de psychiatrie en ouderengeneeskunde. Dat wilde ik zelf ook: in een huisartsenpraktijk zou ik veel ouderen zien. En veel lichamelijke klachten hangen samen met de menselijke psyche. Daar wilde ik dus meer over weten.

Ik werkte ruim een half jaar als ANIOS psychiatrie bij een specialist voor mensen met psychische problemen. En daarna als basisarts ouderengeneeskunde bij een zorginstelling. Opnieuw leerde ik veel over mezelf. Sommige casussen van patiënten kwamen dichtbij. Leeftijdsgenoten die met het leven worstelen omdat ze de lat hoog leggen, bijvoorbeeld. Ik wilde mijn ogen daar niet voor sluiten. Bij een psycholoog kon ik mijn verhaal kwijt. Daar had ik al contact mee, maar anders had TalentCare dit voor me geregeld.

Zelfzorg

Sociale contacten bleken een uitlaatklep voor me te zijn. En ik ontdekte dat ik het fijn vind om wat verder van huis te werken, zodat ik mijn dag tijdens de autorit achter me kan laten. Thuis blijft mijn laptop uit en pleeg ik geen werk gerelateerde telefoontjes. Ook werk ik bewust vier dagen van negen uur. Zo houd ik een dag over om vrienden te zien of te gaan paardrijden. Dat ik me ook over dit soort dingen heb laten adviseren, heeft me erg geholpen. Vanuit het werkveld is de eerste vraag meestal: ga je fulltime of parttime werken? Dat legt meteen druk op je. Nu sta ik sterker in mijn schoenen en kies ik wat het beste voor mij is.

‘Ik werk bewust vier dagen van negen uur’

Ik heb ook goede herinneringen aan de retreat die TalentCare organiseerde. Ik logeerde met zo’n twintig anderen in een hotel op de Veluwe. Daar volgden we verschillende trainingen en workshops over persoonlijke ontwikkeling. Ik dacht er laatst nog aan terug. Ik voelde me opgejaagd en wist dat ik daar tijdens de retreat iets op bedacht: kijken wat ik kan schrappen in mijn planning. Wil ik die vriendin per se zien voor ik op vakantie ga? Of kan het ook daarna? Zonder de retreat was het nooit in me opgekomen mezelf zoiets af te vragen.

Ambities waarmaken

Het gevoel dat ik klaar was voor de opleiding tot huisarts, kwam eerder dan ik had durven dromen. Het ontwikkeltraject heeft mijn twijfels weggenomen. Ik weet wat ik wil en waarom. En doordat ik goed wist wat mijn drijfveren zijn, ging het solliciteren ook makkelijker. In maart 2020 start ik met de opleiding.

Daarnaast heb ik de ambitie om zelf een huisartsenpraktijk te beginnen. Ik heb veel ideeën. Huisartsen verwijzen patiënten nu vaak door naar een dermatoloog. Kunnen we voor die groep misschien een wekelijks spreekuur opzetten? Ook daar kan TalentCare bij helpen. Tijdens bijeenkomsten heb ik veel mensen ontmoet die allemaal de gemeenschappelijke motivatie hebben om zichzelf en de zorg verder te ontwikkelen. Een waardevol netwerk, dat mij op nieuwe ideeën brengt of kan helpen met de uitvoering van mijn plannen.

Ik word ook blij van mensen coachen. Daarom ben ik interne mentor bij TalentCare en begeleid ik startende artsen. Ik kan mensen enthousiast maken over dit prachtige vak, er zijn zoveel geluksmomenten. In mijn werk met dementerenden bijvoorbeeld, kon ik met kleine aanpassingen veel voor patiënten betekenen. Eén van hen had een robotkat. Hij wist zelf ook wel dat de kat niet echt was, maar gaf het beestje toch een naam. En haalde er op zijn manier geluk uit. Wie ben ik om daar iets van te vinden? Ik kreeg vooral een lach op mijn gezicht toen hij zei dat de kat ziek was en onder de wol moest. Het zijn momenten die bevestigen waarom ik in de zorg wil werken.”

Symposium Zorgverbetering

Save the date!

Op vrijdag 3 april a.s. organiseren we een symposium over ‘zorgverbeteren’.

Waarom? Omdat we bij TalentCare geloven dat kleine aanpassingen al zorgen voor meer werkplezier. Of voor beter contact met patiënten. Tijdens het symposium geven we jou handvatten om je team enthousiast te maken om verbeterstappen te zetten. En vertellen we over één van onze verbeterinitiatieven en de impact ervan op de opdrachtgever.

Je bent welkom van 13.00 tot 17.00 uur bij TalentCare (Brinklaan 137 in Bussum). Na afloop is er tijd om na te praten tijdens een borrel en diner. Deelname is gratis. Meer informatie over het programma volgt in februari.

Je kan je hieronder direct aanmelden.


powered by Typeform

Als patiënten niet in een protocol passen

Medewerkersblog van Roos Evers

Je kunt niet alles uit de boeken leren, merkte Roos Evers (27) toen ze begon als arts-assistent in de ambulante psychiatrie. Haar patiënten hebben meerdere problemen: naast hun psychische stoornis zijn ze bijvoorbeeld verslaafd en gaat het ook op financieel of sociaal gebied niet goed. Een medisch ‘etiket’ op hen plakken? Dat gaat zomaar niet. En dat is best ingewikkeld, ontdekte Roos. In dit blog vertelt ze hoe ze op zichzelf leerde vertrouwen en hoe jij dat ook kunt doen.

Vorig jaar wist ik niet zo goed welke richting ik op wilde, dus adviseerde een oud-collega me eens langs te gaan bij TalentCare. Na een eerste gesprek was ik meteen enthousiast. Hoewel ik – op een coschap van zes weken na – geen enkele ervaring in de psychiatrie had, begon ik met een goed gevoel aan mijn nieuwe baan. Ik werd ingewerkt door een psychiater, die al snel met zwangerschapsverlof ging. Zij werd vervangen door een psychiater die maar twee dagen in de week werkte. Dus had ik als arts-assistent veel verantwoordelijkheid. Spannend, maar ook leuk en afwisselend.

Niet in hokjes

De patiënten die ik begeleid, wonen thuis. Tenzij het niet goed gaat en ze opgenomen moeten worden. Ik schrijf medicatie voor, help met opbouwen en afbouwen. Als ze ineens ander gedrag vertonen of suïcidale neigingen hebben, schat ik de situatie en benodigde hulp in. Ook overleg ik met andere betrokken partijen, zoals schuldhulpverleners en huisartsen.

Voordat ik hier begon, werkte ik op de spoedeisende hulp. Dat is niet alleen hectischer, ook verleen je lichamelijke zorg in plaats van psychiatrische. Een ander verschil: op de spoedeisende hulp volg je vooral protocollen. Er zijn richtlijnen voor bepaalde handelingen. Op een gegeven moment heb je zo vaak een COPD-patiënt met longontsteking behandeld, dat je precies weet wat je moet doen.

In de psychiatrie is dat niet het geval. Mijn patiënten zijn niet in hokjes te plaatsen. Vaak hebben ze al een protocollaire behandeling gehad, die niet werkte. Dus moeten we ze op een andere manier helpen. Dat betekent: buiten de protocollen denken. Een flinke omschakeling.

“Het ene moment kan iemand poeslief zijn, het andere moment enorm manipulatief”

Gesprekstechnieken

De eerste weken vond ik dat lastig. Gesprekstechnieken zijn van groot belang in dit werk. Hoe benader je iemand? Als je gedragsverandering wilt bereiken, wat moet je dan doen? Wat zeg je wel? Wat juist niet? Ik merkte al snel: er is niet één methode om met patiënten om te gaan. Het hangt van de persoon tegenover je af en van je gevoel bij iemand. Communicatie is key. Hier is geen handleiding voor.

Tijdens mijn opleiding geneeskunde speelden we consulten na met acteurs, die deden alsof ze boos waren. Maar zij spelen een rol, dat is toch anders dan contact met echte mensen. Psychiatrische patiënten zijn bovendien behoorlijk veranderlijk. Het ene moment kan iemand poeslief zijn, het andere moment enorm manipulatief. Dat komt vaak door een stoornis en/of verslaving.

Zelfvertrouwen uitstralen

Hoe ik omging met deze veranderlijke patiënten, die niet in een protocol passen? In het begin was ik terughoudend, durfde ik mensen niet snel tegen te spreken of met ze in discussie te gaan. Op een gegeven moment merkte ik dat het nodig is soms wat harder te zijn. Ik ben jong en heb weinig ervaring, dus straalde weinig zelfvertrouwen uit. Dan word je niet altijd serieus genomen. Patiënten merken het aan je als je onzeker bent of twijfelt. En spelen daarop in. Ook al voelde het onnatuurlijk om strenger op te treden, ik besloot het gewoon eens te doen.

Zo was er een jongen van een jaar of 25, met een psychotische stoornis en een verslaving aan meerdere middelen. Telkens vroeg hij om medicatie. Dan belde hij me op en bleef hij maar aandringen. Ik gaf niet toe, maar voelde me wel onder druk gezet. Ik kaartte het aan bij de psychiater. Zij gaf me tips: stel duidelijke grenzen en spreek hem aan op manipulatief gedrag. Ook al is hij verslaafd, hij moet wel beschaafd blijven. Ik volgde haar advies op en merkte dat het beter ging.

Mijn zelfvertrouwen groeide. Hoe vaker ik duidelijke grenzen stelde, hoe meer ik me deze rol eigen maakte. Tegelijkertijd is het belangrijk bij jezelf te blijven. Anders merken patiënten het ook. En dat is niet goed voor je behandelrelatie.

Ook bij het omgaan met psychiatrische patiënten die niet in protocollen passen, is het belangrijk op jezelf te vertrouwen. Raak niet in paniek als iets nog niet helemaal duidelijk is. We hebben een natuurlijke neiging meteen in actie te komen, maar soms moet je juist even afwachten. Bijvoorbeeld wanneer een patiënt van medicatie wil wisselen. ‘Kijk het nog even aan’, zeg ik dan, ‘misschien heb je gewoon tijd nodig eraan te wennen.’ Zo’n opmerking vergt lef, maar kan op den duur baat hebben. Of misschien is er helemaal geen oplossing voor een probleem.

“Bij acute problemen is het wel van belang dat je volgens protocollen handelt”

Mens achter patiënt

Als je werkt met weinig protocollen, is het nog belangrijker je te verdiepen in de mens achter de patiënt. In plaats van je krampachtig vast te houden aan een ziektebeeld. Bij de ene persoon is meer medicatie zinvol, bij de ander juist niet.

Omdat ik bij mensen thuiskom, leer ik ze snel kennen. Ik weet hoe ze wonen, hoe hun sociale netwerk eruitziet, wat ze doen in hun dagelijkse leven. Dat zegt veel over patiënten en de benodigde behandeling. Sommige collega’s hebben jarenlang een patiënt behandeld. Die weten precies: als hij deze outfit draagt, is dat een slecht teken. Kleine signalen pik je sneller op als je iemand goed kent. Dat is waardevol.

Maar vergeet niet: bij acute problemen is het wel van belang dat je volgens protocollen handelt. Stel dat een psychotische patiënt in het openbaar voor overlast zorgt, dan nemen we iemand op en geven we een lage dosis antipsychotica. In zo’n geval wordt er dus wel een procedure gevolgd.

Nieuwe lessen geleerd

Mijn advies aan beginnende arts-assistenten: vertrouw op jezelf, ook al is dat in het begin nog onwennig. Durf van protocollen af te wijken en soms even niets doen – zolang als het niet acuut is. Kom je er niet uit, maak het bespreekbaar. Ga naar je collega’s, supervisor of vrienden. Zelf heb ik het uitgebreid besproken bij TalentCare. Dat luchtte op. Ik vond herkenning en merkte: het is helemaal niet gek dat ik me soms onzeker voel.

Communicatie en gespreksvoering zijn enorm belangrijk in de zorg. Hoewel dat soms ingewikkeld is, vind ik deze aspecten het mooiste aan mijn werk. Ik ben nieuwsgierig naar verhalen en krijg energie van het contact met mensen. In 2020 begin ik aan de huisartsenopleiding. Een goede plek om de lessen die ik geleerd heb in de ambulante psychiatrie, toe te passen. Op mezelf vertrouwen, lef tonen en flexibel zijn.

Kennis overbrengen tijdens de koffie

Het verbeterinitiatief van Josien Hazelaar

Als jong meisje vond arts Josien Hazelaar het al leuk haar klasgenootjes te helpen met moeilijke rekensommen. Tijdens haar studie geneeskunde gaf ze ook weleens les. Toen TalentCare haar om ideeën vroeg om een verbeterinitiatief, pakte ze haar hobby weer op. Haar plan: in koffiepauzes samenkomen met de verzorging voor laagdrempelig en situatiegericht onderwijs. Het resultaat: betere zorg, meer samenwerking en meer sfeer op de werkvloer. 

Sinds kort werkt Josien als basisarts in de ouderenzorg in Friesland. Ten tijden van het verbeterproject werkte ze op de afdeling geriatrische revalidatiezorg in Leeuwarden. Kwetsbare ouderen kwamen daar om te revalideren na een periode van ziekte of na een operatie. Als arts hield Josien het overzicht bij de multidisciplinaire behandeling en behandelde ze eventuele complicaties of ziektes.

Medische kennis

De jonge dokter werkte nauw samen met de verzorging, die het dichtst bij de patiënten staat. “Ik heb enorm veel respect voor hen”, vertelt ze. “Ze hebben zo veel liefde en geduld, ze nemen de tijd om mensen gerust te stellen en motiveren ze tegelijkertijd om bijvoorbeeld meer te gaan oefenen.” Wat Josien wel merkte: de medische kennis van de zorg in het verpleeghuis is minder diepgaand dan die van verpleegkundigen in het ziekenhuis. “Logisch”, vindt ze. Ze volgen een hele andere opleiding, waar de aandacht op andere punten ligt.

Josien Hazelaar

Zo werd Josien een keer gebeld door de verzorging, die getwijfeld had om haar hulp in te schakelen. Een van de patiënten was grauw en klam, en klaagde over maagpijn. Josien wist gelijk: dit kan een hartinfarct zijn. Daar had de zorg nog niet aan gedacht. “Soms presenteert een ziektebeeld zich niet volgens het boekje, zeker bij ouderen”, stelt Josien. “Als de verzorging had geweten dat je bij maagpijn ook aan een hartinfarct kunt denken, hadden ze eerder aan de bel getrokken.” Hoe kon ze de verzorging beter voorbereiden op mogelijke acute situaties? Juist, door zelf les te geven.

“Het moest vooral laagdrempelig blijven”

Laagdrempelig en leerzaam

De vraag was: welk moment zou daar geschikt voor zijn? “Het moest vooral laagdrempelig blijven. Ik wilde de verpleegkundigen niet vragen op hun vrije dag een trainingsdag bij te wonen. Of ’s avonds een oppas voor hun kinderen te regelen. Dat zou verplicht aanvoelen. Daarnaast werken ze al zo veel.”

De koffiepauze bleek het beste moment voor onderwijs. Een kwartiertje per keer: niet te lang, maar voldoende om vragen te beantwoorden. Bovendien was de verzorging dan toch al bij elkaar. Er werd positief op het idee gereageerd en binnen een week vond de eerste ‘mini-les’ plaats. Het thema: de glucose-dagcurve bij diabetes.

De onderwerpen werden gekozen door de zorg zelf of naar aanleiding van bijzondere casussen op de afdeling. Wat te doen als een patiënt kortademig is? Waar let je op bij een wondinfectie of als iemand pijn op de borst heeft? Wat zijn alarmsymptomen?

“Het leermoment kwam er niet iedere dag van”, zegt Josien eerlijk. “Meestal zo’n twee keer per week. Soms had de verzorging het te druk of even geen behoefte aan onderwijs. Wilden ze gewoon lekker kletsen tijdens het koffiedrinken.” Op de momenten dat de zorgverleners samenkwamen was de sfeer goed. Het kwartiertje werd al snel een half uur. Meestal waren er zo’n drie à vier actieve deelnemers, plus wat verpleegkundigen die in- en uitliepen. Het was heel vrijblijvend.

“De verpleegkundigen waardeerden en vertrouwden me meer. En andersom gold dat ook”

Betere samenwerking

De feedback vanuit de zorg was positief. Reacties die ze kreeg: “Je leert altijd weer iets nieuws, heel nuttig.” En: “Je vraagt ons zelf mee te denken, het is interactief.” De lessen waren ook een uitgelezen moment voor de verzorging om Josien te vertellen wat zij beter kon doen. “Bij sommige zaken had ik niet stilgestaan”, vertelt ze. “Bij andere dingen kon ik uitleggen waarom ik ze zo doe.”

Het resultaat: de twee partijen leerden elkaars perspectief beter kennen en zaten meer op één lijn. “De verpleegkundigen waardeerden en vertrouwden me meer. Ze konden me gemakkelijker vragen stellen. En andersom gold dat ook.” Overleggen werd heel laagdrempelig.

Bovendien kwam er op deze manier belangrijke informatie over patiënten ter sprake. Zo was er een vrouw van eind 60 die nog best jong en fit oogde. Uit haar dossier bleek echter dat ze op de intensive care had gelegen en allerlei spoedoperaties had gehad. “Ik vertelde waar ik me bij haar zorgen om maakte en bij welke specifieke symptomen de zorg aan de bel moest trekken.” Van de verbeterde samenwerking binnen het zorgteam hebben dus ook de patiënten profijt. Kortom: goede, patiëntgerichte zorg.

Boost voor eigen basiskennis

Een handige bijkomstigheid van Josiens verbeterinitiatief: haar eigen basiskennis werd ook weer opgekrikt. Soms moest ze de boeken weer in. Kende ze een ziektebeeld goed genoeg om dat in begrijpelijke taal uit te leggen in plaats van medisch jargon? “Dat was soms best een uitdaging”, bekent Josien.

In de toekomst wil de arts ook met onderwijs bezig blijven. “Ik haal er voldoening uit als ik zie dat het kwartje valt en mensen meer vertrouwen krijgen in hun eigen kennis.” Uiteindelijk is Josien nog steeds dat meisje uit groep 3 dat het niet kon laten haar klasgenootjes een helpende hand te bieden.