Een belevingsgang voor dementerenden met loopdrang

Het verbeterinitiatief van Elske Princen

Wat kan beter in de zorg? Over die vraag denkt arts Elske Princen (25) graag na. Dus toen TalentCare haar begin juni vroeg of ze ideeën had voor een verbeterinitiatief, begon ze meteen te brainstormen. Elske werkt momenteel bij een aanbieder van ouderenzorg in Oost-Gelderland. Ze verdeelt haar tijd over twee verzorgingshuizen: de ene in Westervoort en de ander in Pannerden. Die laatste locatie kon wel een verbeterinitiatief gebruiken. Wat heeft Elske in gedachten? En hoe moet dat ouderen helpen? We gingen bij haar langs.

In Pannerden is Elske de huisarts van ouderen met somatische (lichamelijke) klachten. Daarnaast werkt ze op de psychogeriatrische (PG) afdeling, een gesloten afdeling voor mensen met dementie. Deze is gevestigd op de eerste verdieping van een klein, vrij oud gebouw. En die locatie heeft een groot nadeel, merkte Elske.

De kwestie: rusteloze dementerenden

“Van de twintig ouderen hebben zo’n vijf of zes een sterke drang om rond te lopen”, vertelt ze. “Omdat er geen tuin of andere grote ruimte aanwezig is, kunnen deze ‘dolers’ het onrustige gevoel slecht kwijt.” Als dementerenden de hele dag over de afdeling ronddwalen, raken ze vermoeid en dat vergroot de kans op vallen of struikelen.

Nu zijn er wel vrijwilligers die af en toe met de betreffende ouderen lopen, maar dat gebeurt niet op dagelijkse basis. Het aannemen van extra personeel of vrijwilligers is ook geen optie. “Het personeelstekort in de zorg is al zo groot”, stelt Elske. “Bovendien kost personeel geld.” Wat zou dan wel een manier zijn om de onrustige ouderen te helpen?

De verbetering: een gang vol belevingen

De jonge arts was vastberaden een oplossing te vinden. Dit probleem komt vaker voor, dacht ze. Hoe gaan andere verpleeghuizen met loopdrang om? Elske deed wat research op het internet en stuitte op de belevingsgang. Bij Topaz Overrhyn  in Leiden, een verzorgingshuis in Leiden, is zo’n gang al succesvol gebleken. In het expertisecentrum voor dementie Zonnehoeve, gevestigd in Hilversum, is zelfs een strandkamer gemaakt. Door een panoramadoek, geurmachine en lampen met kunstlicht (zonder schadelijke UV-straling) lijkt het voor bewoners alsof ze op het strand zijn.

Wat we ons bij de belevingsgang van Elske moeten voorstellen? “Een gang met themahoeken, waar ouderen zich in verschillende landschappen wanen”, beschrijft ze. “Denk ook aan een strandhoekje. Daar hang ik bijvoorbeeld visnetten, nepmeeuwen en schelpen aan de muur. En je hoort het geluid van kabbelende golven. Of een boshoekje, met bladeren en takken en geuren van mos en dennenbomen.” De huidige loopbrug wil Elske omtoveren tot een vlinder- en vogelgang. “Met geuren en geluidsopnames in luidsprekers kun je gemakkelijk een sfeer creëren”, zegt ze enthousiast. “Er is van alles mogelijk.”

“Uit onderzoek is bekend dat veel dementerenden baat hebben bij belevingen”

Prikkelen, uitdagen en tot rust komen

Elskes doel: de kale gangen met hun saaie, stenen muren op zo’n manier aankleden het een vertrouwde omgeving voor de ouderen wordt. Waar ze nu bij gebrek aan beter in de woonkamer blijven rondhangen, kunnen ze in de toekomst ook tijd doorbrengen in de gang.

Ze is van plan bij elke themahoek een bankje neer te zetten, zodat de dementerenden alles rustig in zich op kunnen nemen. Uiteindelijk dient de gang dus meerdere doelen: de ouderen kunnen hun energie kwijt, komen tot rust, maar worden ook geprikkeld en uitgedaagd.

Hard, wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van een belevingsgang heeft Elske niet. “Uit onderzoek is wel bekend dat veel dementerenden baat hebben bij belevingen. Hun zintuigen kunnen gestimuleerd worden door rustgevende beelden, geuren, muziek of voorwerpen.” Maar te veel prikkels zijn weer niet goed.

Positieve reacties

Bij de zorgorganisatie waar zij nu werkzaamheden verricht gelooft men sterk in patiëntgerichte omgevingszorg. Het kostte Elske dan ook weinig moeite het zorgteam van haar verbeterinitiatief te overtuigen. Bijna iedereen die Elske sprak, reageerde enthousiast. Het team denkt graag mee. Het gebrek aan ruimte voor ouderen met loopdrang was al langer een probleem. De enige in eerste instantie die beren op de weg zag, was de facilitair medewerker. De reden: brandveiligheid en valgevaar. “Logisch”, vindt Elske. “Ik moet geen zand op de vloer gaan strooien, dadelijk struikelt een oudere daarover.” 

Momenteel is de arts bezig genoeg geld bij elkaar te krijgen, maar daar is ze optimistisch over. “Het is een laagdrempelig plan dat weinig kost. Mensen kunnen zelf een rondje lopen. Daar hoef je geen extra personeel voor in te zetten.”

Elske Princen. Foto: Jeroen Berends

“Als arts ben je veel in overleg en theoretisch bezig, nu kan ik ook creatief aan de slag”

Creatief proces

Van TalentCare krijgt Elske zo’n acht uur per maand om aan het initiatief te besteden. “Het is een leuke afwisseling. Als arts ben je veel in overleg en theoretisch bezig, nu kan ik ook creatief aan de slag. Ik houd me bezig met vragen als: welke materialen heb ik nodig? Waar haal ik die vandaan? En hoe verstel ik ze vervolgens zo dat ze aan de muur kunnen hangen?” Ze is ongeveer halverwege in het proces. Begin juli was het idee voor de belevingsgang rond, in oktober verwacht ze klaar te zijn. “Dat moet ook wel, want dan begin ik weer aan een nieuwe uitdaging”, aldus de Brabantse.  

Persoonlijke lessen en bevestigingen

Van het ontwikkelen van de belevingsgang heeft Elske al geleerd flexibeler te zijn. “Ik had verwacht dat sommige dingen sneller zouden gaan”, lacht ze. “De globale planning die ik in de eerste week gemaakt had, was wel heel optimistisch.” Vooral het maken van afspraken met verschillende betrokkenen kost tijd.

Door het verbeterinitiatief weet ze nog beter welke kant ze in de toekomst op wil. “Ik wil een afwisselende baan”, zegt ze met een twinkeling in haar ogen. “Het liefst word ik huisarts, maar houd ik me tegelijkertijd bezig met manieren om de zorg te verbeteren.”

“Nieuwe dingen bedenken en maken ligt me wel”, vertelt Elske. “Ik krijg er energie van en ben heel blij dat ik via TalentCare de kans krijg om dat creatieve nu ook in de zorg in te zetten.” Wat ze verder een leuk idee vindt: als ze hier straks weggaat, is er iets blijvend anders op de PG-afdeling. Een steriele gang is omgetoverd tot een plek vol geuren, kleuren en geluiden. En dat allemaal op Elskes initiatief.


Voel je (nog) beter, probeer intermitterend vasten

De ene behandeling is nog maar net klaar, of de volgende patiënt staat alweer te wachten. Snel gris je een mueslireep uit je tas en haast je je naar de volgende afspraak. Herken je dit scenario? Werken in de zorgsector kan stressvol zijn. Zorgverleners maken lange dagen, waarop ze vaak onregelmatig eten. Het energieniveau kent pieken, maar ook flinke dalen. Dat ondervond Leonardo Claasen. Hij ontdekte ‘intermittent fasting’, oftewel: onderbroken vasten. In dit blog vertelt hij hoe het werkt en hoe het ook jou kan helpen je fitter te voelen.  

Leonardo Claasen. Beeld: Jeroen Berends

Ik wilde altijd plastisch chirurg worden. Toen ik een tijdje bij de cardio-thoracale (hart-long) chirurgie werkte, voelde ik me geleefd. Dat werd wat minder toen ik overstapte op de spoedeisende hulp, maar ook daar raakte mijn dag-en-nachtritme compleet verstoord. Op willekeurige momenten was ik moe, soms plotseling in de ochtend of middag. Lag ik ’s avonds in bed, dan was ik weer klaarwakker. Er werd veel van me verwacht, ik had amper tijd voor andere passies en weinig energie. Inhoudelijk vond ik chirurgie een mooi vak, maar moest het werk ten koste van mezelf gaan? Wilde ik dat wel?

Via TalentCare werk ik nu bij de psychiatrische crisisdienst, gecombineerd met ‘Intensive Home Treatment’ in Almere. Daarnaast heb ik een eigen bedrijf: The Work Embassy. We koppelen horecapersoneel uit het buitenland aan ondernemingen in Nederland. Ik heb een druk bestaan. Hoe ik dat volhoud? Ik haal energie uit mijn werk, maar ook doordat ik me bewust bezighoud met voeding.

Wat is intermitterend vasten?

Anderhalf jaar geleden begon ik me meer te verdiepen in het effect van eten op je welzijn en het ontwikkelen van gewoontes. Op YouTube bekeek ik filmpjes en in de auto luisterde ik naar audioboeken. The Longevity Paradox van Steven Gundry, The Keto Reset Diet van Mark Sisson en de mooiste: Genius Foods van Max Lugavere. Alle kennis die ik tot me nam, wilde ik zelf in de praktijk brengen. Mijn overtuiging: je weet pas of iets voor jou werkt, tot je het zelf uitprobeert.

In meerdere boeken las ik over intermitterend vasten. Dat kun je op verschillende manieren doen. Sommige mensen eten af en toe een hele dag niet, of alleen groente. Ik eet alleen binnen een bepaalde tijdsperiode en heb suiker uit mijn menu geschrapt. Ook koolhydraten eet ik minder, vooral ‘snelle koolhydraten’ laat ik links liggen. Voor de rest eet ik dezelfde hoeveelheid, maar dan in een korter tijdsbestek.

Na het diner eet ik niet meer en de volgende hap neem ik pas weer rond 13.00 of 14.00 uur de dag erna. Het ontbijt sla ik dus over. Zestien uur eet ik niet, acht uur wel. Nu denk je misschien: het ontbijt is toch het belangrijkste eetmoment van de dag? Ik vermoed dat dit idee de wereld in geholpen is door de voedselindustrie: ontbijtgranenproducenten willen hun product verkopen.

Rust in het verteringsproces

Ook het argument dat je stofwisseling pas op gang komt als je ontbeten hebt, is niet per se waar. Je stofwisseling heeft geen extra voeding nodig om geactiveerd te worden. Juist een tijdje niet eten activeert belangrijke processen. Hoe dat werkt? Iedere dag vullen we ons lichaam met bouwstoffen (eiwitten) en brandstoffen (vetten, koolhydraten en suikers). Zo groeit het lichaam. Maar het moet continu hard werken.

Door te vasten, geef je je lichaam even rust in het verteringsproces. Daardoor kan het zichzelf reinigen en de zwakke cellen opruimen. Bij het herhaaldelijk eten van ‘snelle koolhydraten’ over de dag, creëer je veel bloedglucosepieken. Je lichaam probeert deze te corrigeren. Toch wordt er vaak ‘overgecorrigeerd’. Je ervaart dan een dip, bijvoorbeeld de ‘after dinner dip’, door een overschot aan deze suikers. Dit heeft invloed op hoe je je voelt. Minder glucosepieken betekent minder dips, dus voel je je beter gedurende de dag.

Het lichaam gebruikt twee grondstoffen om als energie te verbranden: koolhydraten en vetten. Intermitterend vasten zorgt ervoor dat je lichaam overschakelt naar vetverbranding, wat er weer voor zorgt dat je een stabielere bloedglucosewaarde in je bloed hebt. En je dus energieker voelt.

Beginnen met intermitterend vasten kan moeilijk zijn. Ik heb het rustig opgebouwd, begon niet cold turkey. Het kost meerdere weken om ergens een gewoonte van te maken. In eerste instantie had ik flinke trek als ik ’s ochtends op mijn werk aankwam. Mijn lichaam was gewend aan ontbijt, was in de war. Ook mentaal was het even doorzetten. Al sinds onze geboorte is ons lichaam gewend in de ochtend te eten. Daar zijn we afhankelijk van geworden. Dus moeten we ons even verzetten. Toen ik daar doorheen was, voelde ik me niet alleen beter, ook had ik een stukje onafhankelijkheid gewonnen.  

Betere concentratie en meer focus

Al snel merkte ik de positieve gevolgen van intermitterend vasten. Ik heb minder pieken en dalen in mijn energieniveau en ben minder afhankelijk van eten. Voorheen werd ik tijdens een gesprek met een patiënt weleens afgeleid door de trek, nu niet meer. Ik val sneller in slaap, mijn slaap is dieper en ik heb minder slaap nodig. Daarnaast voel ik me uitgerust, helder, gefocust en alert.

Binnen TalentCare heb ik mijn verhaal verteld over intermitterend vasten en voeding. Meerdere collega’s hebben het ook geprobeerd, net als familie en vrienden. Ik krijg vaak terug dat ze het geweldig vinden. Veel mensen zijn emotie-eters en kampen daardoor jarenlang met overgewicht. Zo is mijn moeder inmiddels ook af van haar verlangen naar suiker en koolhydraten. Als je lang niet eet, is het eerste wat je wilt eten vaak iets gezonds. Een salade, geen donut. Een vriend die last had van het prikkelbare darmsyndroom schrapte tarwe uit zijn dieet en had geen buikpijn meer.

Wetenschappelijke onderbouwing

Ook de wetenschap is positief over intermitterend vasten. Een recent overzicht van het wetenschappelijk onderzoek naar intermitterend vasten in The Annual Review of Nutrition zegt dat “opvallend bewijs uit dieronderzoek en belangrijke aanwijzingen uit menselijke studies” onderstrepen: vasten kan de gezondheid verbeteren. Ook patiënten met diabetes type 2 kunnen baat hebben bij intermitterend vasten, omdat de insulinegevoeligheid sterk verbetert.

Voor zorgverleners is een stabiel energieniveau extra belangrijk. Er wordt veel van je verwacht en de tijdsdruk is groot, dus is het handig als je mentaal scherp bent. Door intermitterend vasten ben je minder vaak chagrijnig (‘hangry’) en waarschijnlijk energieker. Daar profiteren patiënten ook van. De lange, onregelmatige dagen houd je beter vol doordat je minder vaak een dip hebt.

Geen wondermedicijn

Ik zeg niet dat intermitterend vasten een wondermedicijn is of dat je het altijd moet doen. Het heet niet voor niets ‘intermitterend’ vasten, dat betekent dat je het in periodes doet. Ik doe het steeds vaker, maar wil ook niet te extreem worden. Het leven moet wel leuk blijven. Ik ga heus nog wel eens naar de Chinees, ondanks alle suiker in de gerechten, en geniet er ook van.

Intermitterend vasten wil ik aan niemand opdringen. Of het voor jou werkt, weet ik niet. Ik kan alleen voor mezelf spreken. Ik zou zeggen, probeer het eens. Mensen schrijven veranderingen vaak bij voorbaat al af – “Ik heb nu eenmaal ontbijt nodig” – maar dat is enkel een aanname. Wees je bewust van vastgeroeste gewoontes. Al voel je je momenteel prima, wie weet kun je je nog fitter voelen. Ik merk in ieder geval een wereld van verschil. Een after-dinner dip? Geen last meer van. Moeite om in slaap te komen? Ook dat niet meer. Hardlopen op een lege maag? Heerlijk! Het is echt waar, je bent wat je eet.

Wil je meer weten of heb je vragen over intermitterend vasten? Neem contact op met Leonardo.

Arno Bisschop: Onveilige werksfeer in ziekenhuizen

Arts Arno Bisschop: ‘Het is de hoogste tijd dat instellingen en stafleden erkennen dat onveilige werksituaties dagelijks plaatsvinden’

Te vaak heerst er een masculiene, onveilige werksfeer in ziekenhuizen waar artsen en verpleegkundigen worden opgeleid. Arno Bisschop, arts en oprichter van TalentCare wil een cultuuromslag, en zonodig disciplinaire maatregelen.

Dit opiniestuk werd op 7 september 2019 gepubliceerd in de volkskrant

‘Hou gewoon je bek. Je weet hier geen kloot van’, bulderde de chirurg. Ik was net begonnen als arts-assistent en had al mijn moed bij elkaar geraapt om een vraag te beantwoorden over een onderwerp waarop ik kort daarvoor was gepromoveerd. Extreem gemotiveerd als ik was om orthopedisch chirurg te worden, moest en zou ik laten zien dat ik de gedoodverfde kandidaat was voor die opleidingsplek tot medisch specialist. Dit was hét moment om me te profileren, dacht ik. Ten overstaan van alle arts-assistenten, coassistenten en specialisten kafferde de chirurg mij uit. Ik ervoer een mix van boosheid en angst, maar hield mijn mond omdat ik deze specialist de hele dag zou moeten assisteren in de operatiekamer.

Op dat moment dacht ik nog dat dit voorval een uitzondering was, gewoon botte pech. Maar het blijkt dat dit soort onveilige werksituaties en veel ergere schering en inslag is in de zorg, voor zowel vrouwen als mannen.

Vanuit mijn werk bij zorgorganisatie TalentCare, waar ik fungeer als klankbord voor artsen en anderen, spreek ik dagelijks met aiossen (artsen in opleiding tot specialist) en aniossen (artsen niet in opleiding tot specialist) – hierna kortweg ‘jonge artsen’ – die mij eveneens melden geregeld in onveilige werksituaties te verkeren. 

Ik hoor vaak de geijkte verhalen: een chirurg die wel erg vaak langs de borst van een vrouwelijke collega schuurt vanwege de ‘gebrekkige ruimte in de operatiekamer’, een cardioloog die een vrouwelijke collega op een congres aanbiedt een hotelkamer te delen, of een internist die bij de nachtelijke hulpvraag van een jonge arts die voor de eerste keer palliatieve sedatie moet toepassen bij een stervende patiënt, grofweg meldt: ‘Los dat zelf maar op; hiervoor kom ik nu mijn bed niet uit!’

Elke zorgverlener kent dergelijke verhalen en waarschijnlijk geldt dat tevens voor vele patiënten. Soms halen ze het nieuws. Zo berichtte deze krant eerder dit jaar over een traumachirurg in Twente die werd ontslagen na meldingen over ‘agressief gedrag’ en ‘seksuele intimidatie’.

Veel rotte appels

Het is goed dat dit soort zaken aan het licht komen. Het gaat echter niet om een paar rotte appels, maar om een gedrag dat is ingebakken in de cultuur. Maar liefst 30 procent van de 3.098 artsen die in 2018 door vakblad Medisch Contact zijn geënquêteerd, zegt ooit een seksueel grensoverschrijdende situatie te hebben meegemaakt op het werk. Van hen heeft meer dan de helft te maken gehad met ongewenste aanrakingen, van billen knijpen en borsten betasten tot op de mond zoenen, aldus dit ‘#MeToo op de werkvloer’-onderzoek. Ruim 10 procent maakt melding van het ontvangen van seksueel getinte berichten via WhatsApp of e-mail. Een vergelijkbaar percentage zegt zelfs een grensoverschrijdende relatie te hebben gehad.

Uit andere recente onderzoeken blijkt eveneens dat het op universiteiten en in zorginstellingen bar en boos is. Volgens vakbonden FNV en VAWO hebben vier op de tien medewerkers op universiteiten persoonlijk te maken (gehad) met onveilige werkomgevingen. En uit een inventarisatie van CNV Jongeren blijkt dat een op de acht jonge zorgverleners ervaring heeft met burn-out ‘omdat zij niet op een veilige en gezonde manier kunnen werken’. 

Uit onderzoek begin dit jaar uitgevoerd door De Geneeskundestudent (DG), belangenbehartiger van geneeskundestudenten in Nederland, blijkt bovendien dat geneeskundestudenten die coschappen lopen dit soort onveilige situaties extreem weinig melden bij de speciaal daarvoor aangestelde vertrouwenspersonen van de zorginstellingen.

Arno Bisschop, arts en oprichter van zorgorganisatie TalentCare. Beeld Jeroen Berends

Juist in de zorg

Hoe kan het nou juist in de zorg zo ontsporen? In een sector waar de menselijke maat juist centraal staat en waarvoor je kiest – tenminste, dat deed ik – omdat je graag iets voor anderen wilt betekenen. 

Enerzijds wordt dit gedrag gevoed door de sterk hiërarchische verhoudingen, aangevuld door het klassieke leerling-meesterverhaal. Daarbij is in de zorg alles ook nog eens flink dichtgetimmerd met strikte protocollen en strak afgebakende rollen. En sommige medische specialisten leven deze rol continu. Ze geloven echt dat zij een verheven positie hebben binnen een team, waarbij aanzien, macht en een exorbitant salaris vanzelf spreken. Het leidt bij sommige individuen tot een gevoel van onschendbaarheid, waardoor ze zich alles denken te kunnen permitteren. 

Die bijzondere status wordt onbewust ook al bij jonge artsen gevoed door allerlei ongeschreven regels die gebaseerd zijn op het klassieke rolmodel van de dokter. Je moet je gevoelens onder controle houden. Je moet wel 15 uur achter elkaar door kunnen knallen. Je laat nooit een steek vallen. En je bent na de specialist als arts natuurlijk de belangrijkste persoon in het medisch team.

Daar komt bij dat botheid en apengedrag al bij jonge artsen wordt aangewakkerd – ooit dreigde ik zelf ook zo te worden. Ik wilde me koste wat het kost in de chirurgische wereld profileren en daar horen bepaalde stappen bij. Keihard studeren en werken gedurende een heel lang traject. Het is een uitputtingsslag. Je denkt dat je rücksichtslos voor je doel moet gaan, dat je flink wat ellebogenwerk moet verzetten zodat jij die opleidingsplek krijgt en niet jouw collega-studenten, dat je je moet gedragen alsof je iemand bent die alles weet en geen twijfel kent, dat het ‘mannetje zijn’ nodig is om je einddoel te bereiken. Met dat soort gedrag, dat er langzaam insluipt, vervreemd je je van jezelf.

Heb je je baarmoeder nog?

Het voorval dat mijn ogen opende, was het sollicitatiegesprek van een studiegenoot voor een opleidingsplek in een ziekenhuis. Haar werd recht op de vrouw af gevraagd: ‘Heb je je baarmoeder nog?’ In de wandelgangen bleek later dat deze specialist structureel snerende opmerkingen maakte over ‘vrouwen die zwanger werden tijdens de opleiding’. De boodschap was duidelijk: daar was deze medisch specialist niet van gediend. Dat leidde vervolgens tot een taboe op de afdeling om überhaupt te praten over zaken als een kinderwens. En zelfs tot schuldgevoelens over wat je als jonge (vrouwelijke) arts wellicht ooit graag wenst. Of erger: twijfels over wie je wel of niet mag zijn als mens. Mijn studiegenoot heeft geen melding gedaan; dat durfde ze niet. De baan kreeg ze niet, terwijl ze bewust promotie-onderzoek had verricht om meer kans te maken op die schaarse opleidingsplek. Of de aanwezigheid van haar baarmoeder haar die plek echt heeft gekost, zal ze nooit weten.

Bij mij viel het kwartje op tijd, maar ik wil liever niet weten hoe ik zou zijn geworden als ik wel als ‘winnaar’ op die apenrots had gestaan.

Inmiddels werk ik met artsen en andere zorgprofessionals die tegen dezelfde dingen aanlopen en zich, net als ik, op een andere manier willen ontwikkelen met als doel de cultuur in de zorg te veranderen en te verbeteren. Hoe meer jonge artsen voor zichzelf opkomen, des te veiliger de werksituatie weer wordt. Maar waar zitten vooral de pijnpunten?

Pijnpunten

Allereerst worden hulpvragen van jonge artsen veel te vaak genegeerd of niet altijd serieus genomen door hun begeleidende medisch specialisten. Dat leidt tot onzekerheid, stress en fouten bij de zorgverleners en daardoor ook tot grotere patiëntonveiligheid. 

Een tweede pijnpunt is machtsmisbruik. Jonge artsen ambiëren een opleidingsplek en doen hun best om zich te profileren. Dit wordt uitgespeeld door sommige specialisten: ‘Als jij dit nu niet doet, kun je die opleidingsplek wel op je buik schrijven.’ Vul bij ‘dit’ een onredelijke eis in; van extreem overwerken, onderzoekswerkzaamheden verrichten naast een 60-urige werkweek of extra diensten doen. De jonge arts zit volledig in de tang van de zogenaamd befaamde specialist of opleider. Omdat hij (het is vaak een man) letterlijk carrières kan maken en breken. 

Het derde punt is seksuele intimidatie: van ongepaste opmerkingen, ongewenste handtastelijkheden tot het verrichten van ongepaste handelingen.

Naar mijn mening is het de hoogste tijd dat instellingen en stafleden erkennen dat onveilige werksituaties dagelijks plaatsvinden en dat de goeden (gelukkig de grote meerderheid) hieronder lijden. Dat is funest voor een goede leeromgeving. Voor veel jonge en andere gedreven zorgverleners die nog wél normaal gedrag vertonen, wordt het plezier vergald.

Stervoetballers

Vervolgens moeten raden van bestuur en collega-specialisten eerder ingrijpen, dus leiderschap tonen en daarbij lak hebben aan reputaties. Zo werd de 20-jarige stervoetballer Kylian Mbappé van het Franse elftal – en voor bijna 200 miljoen gekocht door Paris Saint-Germain – onlangs door zijn trainer op de bank gezet nadat hij te laat was gekomen voor een bespreking. Ja, dat is een onschuldig vergrijp, maar trainer Tuchel meldde: ‘Het collectief is altijd belangrijker dan het individu.’ Dat is de juiste mindset, al moeten we voorkomen dat we iemand direct afserveren na een misstap. Zet hem (of haar) op zijn (of haar) plek, biedt tegelijkertijd hulp aan en geef hem of haar vervolgens een nieuwe kans. Mbappé scoorde na drie minuten toen hij in de bewuste wedstrijd toch nog mocht invallen.

Daarnaast pleit ik voor hard ingrijpen, voor het eerder nemen van disciplinaire maatregelen. Bij ongepast gedrag komen deze nu vaak te laat – als het al volledig is misgegaan – en zijn ze heel definitief: ontslag of zelfs door de tuchtcommissie uit je ambt worden gezet. Als we eerder optreden, ontnemen we de boosdoeners de kans om dergelijk gedrag structureel te vertonen. Ook bied je hun de mogelijkheid hun gedrag te verbeteren.

Het pakket aan maatregelen kan ook uitgebreider. Laat de boosdoener publiekelijk excuses aanbieden, zodat het inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen voelbaar wordt. Of stel een operatieverbod van twee weken in en ja, dat betekent ook korting op salaris of inkomsten. Met andere woorden: straf de daders vooral daar waar ze last of ongemak ervaren bij het hooghouden van hun vaak ‘onaantastbare’ zelfbeeld. Veel specialisten zijn namelijk – net als andere hooggeplaatsten in de samenleving – verslaafd aan de drug van financiële en maatschappelijke status. 

Haal ze daarnaast, in ieder geval tijdelijk, van hun ‘opleidende’ posities af, en bij recidive resoluut voor altijd. Als een specialist structureel van jonge artsen verlangt dat zij werkweken van meer dan 60 uur draaien onder het mom van ‘anders kun je die opleidingsplek op je buik schrijven’, is deze specialist immers niet geschikt als opleider. Een instelling moet dan een signaal afgeven en hem of haar de taak als opleider ontnemen.

Do’s en don’ts

Tot slot is het zaak dat jonge artsen zich eerder durven uitspreken. Dit kan alleen als de opleidingsorganisatie of het ziekenhuis vooraf aangeeft wat wel en niet door de beugel kan. Stel bijvoorbeeld gezamenlijk met het team een lijst op met do’s en don’ts en een protocol wat de maatregelen zijn bij overtredingen. Een complimentje over een nieuw kapsel mag. Een seksueel getint grapje over een strak zittend truitje niet. Het begint met het signaleren en bespreekbaar maken van ongepast gedrag. Dat bevordert het gevoel van veiligheid al enorm. Een goede eerste stap hiertoe is de recentelijk gestarte campagne #zouikwatzeggen? van de geneeskundefaculteit van het Amsterdam UMC.

Ik hoop dat dit soort initiatieven, aangevuld met het eerder optreden bij ongepast gedrag, navolging krijgt in heel Nederland. En dat de uitkomst is dat geneeskundestudenten, jonge artsen en andere zorgverleners het volstrekt normaal gaan vinden om hun grenzen aan te geven bij grensoverschrijdend gedrag. Want niemand is groter dan het team, ook niet in de zorg.

Psychiater Hans Rode: ‘Jonge artsen hechten minder aan hun identiteit als arts’

Waar artsen voorheen hun identiteit ontleenden aan arts zijn, lijkt dat voor de jongere generatie artsen niet meer helemaal op te gaan. Naast hun werk willen millennials ook andere rollen volledig vervullen. Zij hebben hobby’s, een sociaal leven, een relatie en een gezin. Hoe ziet deze ontwikkeling eruit voor de arts? ? En is de zorgsector wel ingesteld op deze identiteitsverandering? Wij spraken psychiater Hans Rode over arts zijn anno nu, identiteit en burn-outs.

Veel artsen ontlenen hun identiteit aan het ‘arts zijn’. Hoe komt dat?

Voordat artsen in opleiding gaan, zijn ze eigenlijk al bezig met wat het betekent om arts te zijn. Het beeld bestaat dat je als arts moet presteren en dat begint eigenlijk al vóór de studie. Tijdens de middelbare school beginnen velen al aan het opbouwen van hun cv. Om überhaupt toegelaten te worden tot de opleiding moet je je best doen. Tijdens de opleiding moet je hard studeren, vaak harder dan andere studenten. Anders dan andere opleidingen word je als geneeskundestudent opgeleid voor één ambacht. Die toegewijdheid en investering maken dat je als student gehecht raakt aan het beeld van arts zijn – en hard werken hoort daarbij.

Je raakt eraan gewend dat je binnen de artsencultuur moet presteren, niet mag falen en sommige (fysieke en mentale) signalen moet negeren. De patiënt heeft altijd voorrang. Wanneer je als arts honger hebt, moe bent of naar het toilet moet, gaat de patiëntenzorg toch vaak voor. In vergelijking met veel andere beroepen zijn artsen minder gebonden aan arbeidstijden. Het beeld bestaat dat het ‘helemaal oké’ is om als arts veel te werken. Als je dat doet, dan is het ook meer dan logisch dat je op een gegeven moment je beroep wordt.

Daarnaast is het ook best lastig om je als arts los te maken van die identiteit. Neem als voorbeeld een arts die in het vliegtuig zit om naar zijn of haar vakantiebestemming te gaan. Een passagier wordt onwel. Het eerste wat het cabinepersoneel zal vragen is of er een arts aanwezig is. Dan kun je toch moeilijk zeggen dat je op dat moment even ‘out of office’ bent.

De jonge arts wil ook een hobby uitoefenen en een goede vriend(in) en ouder zijn

Onlangs publiceerde NRC een artikel over identiteit en werk waarin jij aangaf dat artsen tegenwoordig veel minder die ‘roeping’ tot arts zijn voelen en zodoende veel minder hun identiteit ontlenen aan hun beroep. Waar ligt dit volgens jou aan? En ervaren artsen hierdoor meer of juist minder rust?

Waar de oudere arts graag hard werkt en minder andere rollen buiten het werk aanneemt, vindt de jongere arts (de millennial) andere dingen óók belangrijk. Zo wil de jonge arts ook een hobby uitoefenen en een goede vriend(in) en ouder zijn. Die identiteit als arts is zeker wel merkbaar en voelbaar tijdens het werk, maar de hechting aan die identiteit is voor de jongere generatie artsen minder. Die ontwikkeling is onvermijdbaar in onze cultuur, waar de rol van ‘de man als kostwinner’ verdwijnt en de aandacht voor zelfontplooiing buiten het werk groeit.

Die ontwikkeling heeft voor- en nadelen. Verschillende onderzoeken en collega’s wijzen op de stress die het hebben van meerdere identiteiten kan opleveren. In zorgorganisaties levert deze ontwikkeling meer roulatie op, wat betekent dat werk vaker wordt overgedragen en soms met minder continuïteit wordt uitgevoerd. Dat is enerzijds wel een nadeel voor de patiënt, maar aan de andere kant is het een heel gezonde ontwikkeling voor de arts en indirect ook voor de patiënt. Wanneer artsen naast hun werk ook een andere identiteit voelen en zij daardoor goed in hun vel zitten, heeft dat een bewezen positief effect op de patiëntenzorg.

Als arts kun je moeilijk zeggen dat je even ‘out of office’ bent

Wat is volgens jou de voornaamste reden dat zoveel artsen te maken hebben met stress (wat kan leiden tot een burnout)?

De oorzaak van een burn-out zit ‘m bij artsen niet zozeer in die identiteitsontwikkeling. Het artsenvak kent nu eenmaal veel stress en daar zijn artsen in getraind of aan gewend. Ziekenhuizen en zorgorganisaties verplichten artsen te werken met gebruiksonvriendelijke computersystemen die hen als het ware afleiden van de patiëntenzorg. De registratiedrang is daar hoog en ingewikkeld. De registratiedrang was vroeger heel anders, misschien wel minder efficiënt maar voornamelijk minder.

Daarnaast wordt bij veel zorginstellingen secretariële ondersteuning wegbezuinigd met als gevolg dat artsen die taken moeten overnemen. Die toename van ‘oneigenlijk’ werk in combinatie met een gebrek aan autonomie zorgt uiteindelijk voor meer stress dan het hebben van meerdere identiteiten of lange werkdagen.

Wat of wie kan hier verandering in brengen en hoe?

De uitdaging ligt ‘m voornamelijk bij ziekenhuizen en zorginstellingen, maar daarnaast kan de opleiding hier ook een rol in spelen. Medisch gezien is die prima, maar opleidingen kunnen artsen wel veel beter voorbereiden op verschillende werksituaties. Zo kun je artsen leren hoe zij het hoofd boven water kunnen houden in lastige situaties. Artsen worden vaak aangestuurd door managers die zelf geen ervaring hebben met patiëntenzorg. Artsen hebben wel de expertise om de zorg te leveren, maar gaan niet over hoe ze dat mogen doen. Zij kunnen echter wel invloed uitoefenen op dat proces via die manager. En daar ligt weer een kans voor de opleiding om artsen te leren hoe zij hun managers kunnen managen.

Artsen kunnen daarnaast ook een verandering teweegbrengen door hun krachten te bundelen en samen ervoor te zorgen dat het zorgproces eenvoudiger wordt. Er zijn veel voorbeelden van ziekenhuizen (vooral in het buitenland) waar artsen zich actief inzetten voor een eenvoudigere zorgprocedure met als gevolg meer tijd voor patiëntenzorg en betere zorgresultaten.

Leer artsen hoe zij hun managers kunnen managen

Wat zou er volgens u moeten veranderen in de zorg om artsen meer balans te geven tussen werk en privéleven en de verschillende identiteiten die zij daarbij aannemen?

De balans tussen werk en privé is niet helemaal scheef. Artsen kiezen voor zo’n baan en weten dat het veel werk is. Wel is belangrijk dat artsen die balans zelf vinden en daar kan veel meer aandacht aan besteed worden in de opleiding. Nu is de opleiding medisch gezien heel goed ingericht, maar er kan en moet meer aandacht besteed worden aan de persoonlijke ontwikkeling van een arts. Dat zorgt uiteindelijk ook voor betere patiëntenzorg. Ik voer veel gesprekken met artsen en sommigen realiseren zich pas na jaren dat zij eigenlijk niet de juiste beroepskeuze hebben gemaakt. Dat kan anders.

Zelf kwam ik ook pas na een aantal jaar werken op de spoedeisende hulp tot het inzicht dat ik niet op de juiste plek zat. Ik stompte emotioneel af en merkte dat de korte en vaak eenmalige patiëntencontacten mij niet goed pasten. De overstap van somatiek naar psychiatrie was een logische, maar zeker geen makkelijke keuze, want ik moest weer helemaal opnieuw beginnen. Het was echter wel een bewuste keuze en de ervaring leert dat die keuzes meestal het duurzaamst zijn.

Wederom ligt de uitdaging bij de opleiding. Al op het selectiemoment kan daar rekening mee gehouden worden door niet alleen te kijken naar cijferlijsten, maar ook naar zelfkennis en persoonlijkheidskenmerken. Passen de vaardigheden van een persoon bij het artsenvak? Vaak gaan artsen heel veerkrachtig hun carrière in, daar ligt het echt niet aan. Het zijn de omstandigheden binnen de opleiding en de ziekenhuizen die sterk verbeterd moeten worden zodat artsen beter in hun vel zitten en beter hun werk kunnen doen. Dat is beter voor de arts én de patiënt.

Blijf kalm en de apotheker lost het op

“Keep Calm and Carry On” luidde de propaganda van de Britse regering in 1939. Het was een poging om het volk voor te bereiden op de naderende Tweede Wereldoorlog. Opmerkelijk, want de toenmalige minister-president Chamberlain was er heilig van overtuigd dat het niet tot een oorlog zou komen. Nu weten we dat deze actie zijn politieke zelfmoord betekende en dat Winston Churchill hem kort daarna opvolgde. De slogan is na Chamberlain voor een diversiteit aan campagnes ingezet, op grote en kleine schaal – denk maar aan vrijmibo aankondigingen als ‘keep calm and have a beer’.

De parallel tussen de politiek van Chamberlain en de geneesmiddeltekorten is makkelijker te maken dan ik bij aanvang van deze column had vermoed. Al vele jaren zien apothekers met lede ogen aan dat tekorten oplopen in hoeveelheid en duur. Iedereen herinnert zich de ellende van het tekort aan Thyrax®. De lijst is oneindig veel langer geworden, maar in 2018 zijn ook zeer veelgebruikte middelen langdurig niet beschikbaar (geweest) zoals temazepam, naproxen en ibuprofen. Recent kwamen daar Sinemet® en uiteraard de meest gebruikte en meest veilige anticonceptiepil bij.

Wij nemen als apotheek een proactieve houding aan

Onlangs liet de NOS weten dat belangrijke geneesmiddelen in Frankrijk niet meer verkrijgbaar waren. We kennen onze zuiderburen als actie bereid en zo bleek ook de Franse Senaat al vrij snel doordrongen van de ernst van dit probleem. De problematiek – en de vermoedelijke oorzaak – is in Nederland min of meer gelijk. Onze Minister voor Medische Zorg kwam echter niet zo daadkrachtig over. Zo informeerde hij de Tweede Kamer dat gebruikers van de pil best een alternatief konden vinden. Dat moesten dan wel pillen met andere werkzame componenten zijn met alle gevolgen van dien ten aanzien van kosten en veiligheid, maar de minister noemde enkel het eerste. Recent deed een collega daar ook enkele interessante uitspraken over in De Volkskrant.

Ik laat het aan eenieder zijn eigen conclusies te trekken, maar wil hierbij een lans breken voor mijn collega’s en mijzelf. De kennis van de farmacologie en de oplossingsgerichte vaardigheden van de Nederlandse apothekers zorgen er namelijk dagelijks voor dat de problemen nog enigszins te beteugelen zijn en er geen serieuze slachtoffers vallen. Wij nemen een proactieve houding aan en bespreken alternatieven met artsen én patiënten. We zoeken oplossingen, maar dat kost uiteraard een hoop tijd, de nodige moeite en soms ook geld. Maar we doen het vrijwel allemaal, omdat het ons past en omdat we vinden dat we een verschil kunnen maken. Het zou alleen niet nodig moeten zijn…

Apothekers, laat een positiever geluid horen!

Het is dankbaar om voor de patiënt te zorgen. Maar tegelijkertijd lopen de tekorten dusdanig op dat het langzamerhand steeds moeilijker is oplossingen aan te dragen op het gebied van patiëntvriendelijkheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid. In het verleden is de Nederlandse apotheker vaak – terecht of onterecht – aan de schandpaal genageld. Ik stel nu voor om een positiever geluid te laten horen. De cliënten van de apotheek waar ik werkzaam ben kunnen in elk geval blijven vertrouwen op de aandacht voor zorg van de apotheek. Het is weliswaar vijf voor twaalf geweest, maar blijft u maar kalm: de apotheker lost het op.

Is het te laat voor een nieuwe keuze?

Verpleegkundige Esmee Peters was altijd al geïnteresseerd in de GGZ. Toch koos zij tijdens haar hbo-V opleiding voor het ziekenhuis. Maar het afgelopen jaar begon het steeds meer te kriebelen. Is het te laat voor een loopbaanswitch naar de psychiatrie? Esmee vertelt in deze blog over haar ervaringen en twijfels.

Als kersvers afgestudeerd verpleegkundige ging ik aan de slag in de kinderthuiszorg. Een van mijn patiëntjes zal ik niet snel vergeten. Het meisje met zware gedragsproblemen kon niet naar een reguliere school maar ging naar een speciale psychiatrische instelling met dagopvang en onderwijs. Als verpleegkundige kwam ik daar omdat het meisje ook diabetes had en driemaal daags gecontroleerd moest worden.

Ik vond het superinteressant om te zien hoe de leiding met alle gedragsproblemen omging

Chaos

De eerste keer dat ik dit meisje bezocht, werd mij verteld dat ik rustig kennis moest maken met haar. Ik werd voorbereid dat ze waarschijnlijk een woedeaanval zou krijgen omdat ze niet met nieuwe gezichten om kon gaan. Ik liep dan ook met de nodige gezonde spanning naar de groep waar het meisje in zat. Het begon direct chaotisch. Een van de kinderen had een woedeaanval en had iemand van de leiding aangevallen. Ondertussen was een ander kind aan het schelden en schreeuwen omdat hij honger had en was de leiding druk bezig een ruzie tussen twee andere kinderen op te lossen. Kortom chaos! Maar ik vond het tegelijkertijd superinteressant om te zien hoe de leiding met alle kinderen met verschillende gedragsproblemen omging.

Sterke band

De band tussen het meisje en mij werd steeds sterker naarmate ik vaker bij het meisje langsging. Dat viel ook op bij de leiding en psychologen. Ik kreeg regelmatig als feedback dat het meisje zich maar naar heel weinig mensen openstelde en ik was een van die mensen. Met de andere verpleegkundige kon zij het niet zo goed vinden dus kreeg ik te horen dat ze eigenlijk wilden dat alleen ik nog langs zou komen. Hoewel het normaal is dat het met de ene persoon beter klikt dan met een ander, vond ik het toch wel erg toevallig dat die klik er nu net was met een kind in een psychiatrische setting.

Het is nooit te laat voor een nieuwe keuze

Nieuwe uitdaging

Na een jaar werken in de kinderthuiszorg was ik toe aan een nieuwe uitdaging en wilde ik graag nieuwe ervaringen opdoen. Na een aantal afwijzingen in het ziekenhuis vanwege te weinig ervaring, kwam Talent&Care op mijn pad. Dat zij mij konden helpen met mijn persoonlijke ontwikkeling én het opdoen van meer ervaring, vond ik meteen interessant. Na een aantal gesprekken kwamen we samen tot de conclusie dat ik de psychiatrie nog steeds heel interessant vond en dan vooral in combinatie met acute zorg voor kinderen en jeugd. 

Ontdekkingstocht

Talent&Care ging met deze informatie voor mij op zoek naar een leuke en leerzame werkplek. Sinds 1 augustus ben ik in dienst en kan ik eindelijk na al die jaren gaan ontdekken hoe het eraan toegaat in de psychiatrie. Daar komen natuurlijk ook de nodige twijfels bij kijken. Pas ik als zorgverlener wel in de psychiatrie? Sta ik sterk genoeg in mijn schoenen en heb ik eigenlijk wel genoeg kennis om met kinderen om te gaan met psychiatrische problemen? Ondanks de onzekerheden ben ik blij dat ik de kans krijg om te ervaren hoe het is om in de psychiatrie te werken. Het is dus nooit te laat voor een nieuwe keuze.

Vermijd deze 3 valkuilen als je geneeskunde studeert

Wie arts wil worden, weet dat vaak als kind al. Waar het bij beroepen als brandweerman, politieagent of ballerina vaak om een kinderdroom gaat, lijken de kinderen die arts willen worden het vaak waar te maken. Zo ook Niels Kappelhof. Als vijfjarige wist hij het al: hij zou dokter worden. Zelfs zijn specialisatie als cardioloog had hij als hartpatiënt al uitgekozen. Zijn vastberadenheid gaf hem veel zekerheid tijdens zijn studie, maar zorgde er ook voor dat hij een aantal valkuilen over het hoofd zag. In dit blog vertelt hij waar hij tegenaan liep en wat jij daarvan kunt leren.

De tunnelvisie

Hoewel ik vroeg wist dat ik later dokter wilde worden, had ik tijdens de middelbare school alsnog moeite met keuzes maken. Ik wilde alle opties openhouden, want wat als ik opeens toch geen dokter meer wilde zijn? En wie weet werd ik wel helemaal niet toegelaten bij geneeskunde? Ik koos voor het vakkenpakket Natuur en Gezondheid, met als extra vakken economie en Grieks om mijn opties voor later te vergroten.

Weten wat je wilt kan je gezichtsveld beperken

Zo breed als ik mijn pakket tijdens de middelbare school wilde houden, zo toegespitst doorliep ik de opleiding geneeskunde. Ik wist natuurlijk al wat ik wilde worden en ontwikkelde ongemerkt een tunnelvisie. En ik kan je zeggen, dat is niet de beste manier om een studie van zes jaar te doorlopen. Gebruik je studiejaren om te ontdekken wie je bent en wat je wilt. Het is goed om te weten wat je wilt, maar het kan je (gezichtsveld) ook beperken.

Hoewel ik vroeg wist dat ik later dokter wilde worden, had ik tijdens de middelbare school alsnog moeite met keuzes maken. Ik wilde alle opties openhouden, want wat als ik opeens toch geen dokter meer wilde zijn? En wie weet werd ik wel helemaal niet toegelaten bij geneeskunde? Ik koos voor het vakkenpakket Natuur en Gezondheid, met als extra vakken economie en Grieks om mijn opties voor later te vergroten.

Het cijfervirus

Tijdens mijn coschappen werd ik, zoals vrijwel elke co-assistent, besmet met het cijfervirus. Er wordt je wijsgemaakt dat je hoge cijfers moet halen om indruk te maken op artsen en professoren. Je komt terecht in een omgeving van strebers, waar het draait om presteren en de hoogste cijfers halen. En deze instelling is aanstekelijk. Maar wanneer je later gaat solliciteren zal echt niemand vragen om dat coschap-boekje.

Natuurlijk moet je wel voldoendes halen om je diploma te behalen, maar uiteindelijk zijn cijfers niet het belangrijkste. Wat is dan wel belangrijk? Dat je die coschappen gebruikt om te ontdekken welk vakgebied bij jou past. Wat interesseert en intrigeert je? Wat zijn de dagelijkse bezigheden van specialisten en zie je jezelf dat werk ook doen voor de komende 40 jaar?

Ik zat niet te wachten op iemand die mij ging vertellen wat ik moest kiezen

Het ego

Elke universiteit heeft loopbaanbegeleiders maar ik heb er nooit een bezocht. Ik zat niet te wachten op iemand die mij zou vertellen wat voor keuzes ik zou moeten maken en was ervan overtuigd dat ik mezelf toch wel beter kende. Ik realiseerde me niet dat een loopbaanbegeleider je helemaal niet gaat vertellen welke keuze je moet maken. Zo’n begeleider kan je echter wel helpen je bewustwording te vergroten en helder te maken wat jij belangrijk vindt in het leven en wat bij jou past.

Kortom, ik zeg zeker niet  dat ik ‘fouten’ heb gemaakt, maar ik ben wel enkele valkuilen ingelopen die ik had kunnen zien als ik mijn oogkleppen niet op had. Daar heb ik van geleerd en hoop ik je bij deze voor te behoeden.

Leestip

Als je moeite hebt met keuzes maken, kan het boek ‘The Ultimate Guide to Choosing a Medical Specialty’ van Brian Freeman je wellicht helpen. In dit boek zet Freeman uiteen wat elk specialisme inhoudt, wat voor type mensen er werkzaam zijn, wat hun hobby’s zijn, hoe de arts-patiënt relaties in elkaar zitten en hoe je ervoor zorgt dat je aangenomen wordt in dat specifieke vakgebied. Het boek is gebaseerd op de Amerikaanse gezondheidszorg maar ook zeker relevant voor Nederland.

Ik wil heel graag huisarts worden, maar waar moet ik allemaal aan voldoen?

Als ik mijn moeder mag geloven, weet ik al sinds mijn vierde levensjaar dat ik dokter wil worden. Inmiddels ben ik 25 jaar en afgestudeerd arts. Maar wat nu? Ik weet dat ik huisarts wil worden, maar hoe ga ik dat doel bereiken? Maandelijks blogt Daniëlle, arts bij Talent&Care, over haar vragen en ervaringen als ANIOS in de ouderengeneeskunde.

Het is een vraagstuk dat waarschijnlijk in de hoofden van veel geneeskundestudenten en net afgestudeerde artsen rondspeelt: ik ben (straks) arts, maar wat komt daarna? Voor de één betekent dat een zoektocht naar de best passende specialisatie, voor de ander staat al vast wat hij of zij wil worden en is de vraag eerder: hoe ga je jouw doel behalen? Ik val in die laatste categorie.

‘Je doet je best om aan alle eisen te voldoen, terwijl niet eens vaststaat wat die eisen zijn’

‘Help! ik wil heel graag huisarts worden, maar waar moet ik allemaal aan voldoen?’ Dit is kort samengevat mijn hulpvraag. Antwoord krijgen op die vraag blijkt lastiger dan gedacht. Om mij heen zie ik heel veel huisartsen-in-spé (en specialisten-in-spé) met dit soort vragen worstelen. Als je klaar bent met studeren, word je vrijgelaten in de grote-mensen-wereld. Je doet je best om aan alle eisen te voldoen, terwijl niet eens vaststaat wat die eisen zijn.

Een standaard traject

Ik heb het gevoel dat er een soort standaard traject is ontstaan: doe een jaar ervaring op bij de interne geneeskunde en – als het even kan – het liefst ook nog op de eerste hulp. Dan solliciteer je naar de opleiding en houd je je vingers gekruist. Heb je jezelf goed genoeg ontwikkeld? Én heb je dat voldoende kunnen laten zien tijdens je sollicitatiegesprekken?

Even vooropgesteld: ik heb echt geen probleem met interne geneeskunde en spoedeisende hulp. Sterker nog: het lijkt me hartstikke leuk om in het voortraject nog meer ervaring op te doen. Bijvoorbeeld op een SEH. Mijn punt is, dat dit geen ‘verplichting’ zou moeten zijn.

‘Het huisartsenvak is zo breed, dat er veel relevante vakgebieden zijn, waarin jij je kunt voorbereiden op jouw carrière als huisarts’ 

Het huisartsenvak is zo breed, dat er veel relevante vakgebieden zijn, waarin jij je kunt voorbereiden op jouw carrière als huisarts. Niet iedereen heeft dezelfde punten om aan te werken. En dus kun je na de studie jouw vervolgstappen aanpassen aan jouw ontwikkelpunten. Denk bijvoorbeeld aan competentie ontwikkeling, maar ook aan een eventuele verbreding van je kennis buiten de gezondheidszorg.

Mijn competenties

Mijn gedachtegang heeft zich vertaald naar een traject bij Talent&Care, waarbij ik heb gekozen voor de positie ANIOS ouderengeneeskunde. Voor vier dagen per week. Deze keuze heb ik bewust gemaakt op basis van de competenties, waar ik graag nog aan wil werken: communicatie met patiënten met dementie en de begeleiding van het palliatieve traject. Door mijn werkweek van 4 dagen, heb ik nog een werkdag over voor mijn eigen bedrijf. Ik maak uitleg-video’s voor geneeskunde- en verpleegkundestudenten.

‘Met mijn werkervaring in de ouderenzorg investeer ik in mijn toekomst als all-round huisarts’ 

Bij Talent&Care wordt er naar al mijn vragen geluisterd. Collega’s zoeken mee naar antwoorden, waarbij mijn persoonlijke ontwikkeling centraal staat. Ik vertrouw erop dat ik door mijn werkervaring in de ouderenzorg mijn kansen zo groot mogelijk maak om te worden aangenomen voor de huisartsenopleiding. Én ik investeer in ervaringen, die mij tot een goede all-round huisarts maken.

Geef de zorgverbeteraars meer ruimte in je organisatie!

We kijken graag naar anderen. Wachten vaak eerst af. En blijven dan hopen op die grote wijzigingen die de politiek gaat brengen. Hierdoor ontstaat er geen beweging om de zorg echt te verbeteren. Daarom bij deze een oproep aan alle bestuurders: Haal meer uit de zorgverbeteraars op je eigen werkvloer en geef ze meer ruimte in je organisatie! Zij kunnen namelijk nu al het verschil maken.

Goed, eerst een recap. Als we alle issues in de zorg plat slaan, zie ik twee problemen: 1. tijdsdruk (en dus werkdruk) door meer vraag naar zorg en oplopende personeelstekorten; en 2. financiële druk, ofwel: is het nog betaalbaar op de manier hoe we de zorg nu regelen en waar halen we de benodigde mensen vandaan? Hier is al veel over gezegd dus dat doe ik hier niet. Waarom, ik geloof dat het denken vanuit het huidige systeem niet meer aansluit bij de maatschappelijke en medische realiteit.

Patiënten hebben gedurende de afgelopen eeuw namelijk andere wensen gekregen. Ze willen meer dan ooit persoonlijk maatwerk. Beschikken vaak al over enige (internet)kennis. Bepalen zelf wel of ze behandeld willen worden of niet. Maken eigen afwegingen over waardig lijden en leven. Ga zo maar door. Aan de andere kant zijn zorgverleners niet langer die alwetende zorgprofessionals die voor elke klacht de ultieme remedie hebben. Nee, de diagnose en daaruit volgende behandelopties rollen (nu al en straks helemaal) zo uit de computer. Doordat slimme software en algoritmes, gekoppeld aan wereldwijde medische data, in no time zien wat er met meneer of mevrouw aan de hand is.

Interpretator

Zorgprofessionals moeten in de (nabije) toekomst daarom vooral het verschil maken op menselijk vlak. Invoelend en authentiek menselijk contact tussen zorgverlener en patiënt; dat is waar het – ’t liefst morgen al – om draait. Daar ben ik van overtuigd. Zeker als de medische kennisontwikkeling zo hard gaat dat geen student of arts de vernieuwingen meer kan bijbenen – ook al denkt men dat nu nog wel. Dan wordt zorg verlenen een kwestie van samen optrekken met de patiënt. Om dan eveneens samen de juiste afwegingen te maken na interpretatie van alle gegevens. Een afweging tussen kans op herstel en persoonlijke levenskwaliteit tijdens en na de behandeling. De zorgverlener wordt dus een interpretator: iemand die op basis van technologie aan de ene kant en intermenselijk contact aan de andere kant interpreteert. Om daarna echt samen met de patiënt af te wegen en te besluiten wat de vervolgstappen zijn. Deze rol past heel goed bij de intrinsieke motivatie van (jonge)zorgverleners. Want begaan zijn met het persoonlijk welzijn van mensen is voor veel zorgprofessionals de reden (geweest) om voor de zorg te kiezen. 

Daar zit hun ware passie!

Zorgverbetertrajecten

Vandaag al bezig willen zijn met de zorg bieden van morgen. Die ambitie proef ik heel erg bij de nieuwe generatie zorgverleners, de millennials, waar ik dagelijks mee mag werken. Zij hebben de passie en nieuwsgierigheid maar missen soms alleen het lef om zich met deze frisse blikken te manifesteren in een stokoude en starre cultuur. Zonde! Immers, zij zijn zorgverbeteraars die niet in vaste hokjes zijn te plaatsen, maar juist de ruimte willen voelen binnen zorgorganisaties. Zodat zij actief kunnen helpen met verbeterslagen bedenken en doorvoeren. Wij stimuleren in onze eigen organisatie daarom ook het opzetten van (persoonlijke) zorgverbetertrajecten. Projecten die het verschil maken. En dat werkt.

Extra tijd voor een goed plan

Hoe we dat doen? We geven medewerkers extra tijd (en dus geld) als ze een doordacht verbeterplan hebben voor de zorg. Denk aan het ontwikkelen van een checklist ‘wel/niet zinvolle administratie’ om onnodige regeldrift in kaart te brengen. Of heel basic: aan het verbeteren van het onboarding-traject in de organisatie. Dat is zeer kosteneffectief voor zorgorganisaties met hoge verlooppercentages en… wel zo prettig voor nieuwkomers.

Dus zorgbestuurders van Nederland: geef jullie eigen zorgverbeteraars ook meer de ruimte! Want dan bereiden we ons samen goed voor op een fundamentele transformatie. Naar een zorgsysteem waarbij de mens weer echt centraal staat. Qua zorg bieden én zorg ontvangen.

Symposium: Burn-Out

De werkdruk in de zorg is hoog, wat vooral komt door hoog oplopende personeelstekorten. Er is te weinig tijd om de patiënt de juiste zorg te bieden, is een veelgehoorde klacht. 

TalentCare organiseert op 4 oktober 2019 een symposium met als thema ‘Burn-Out: Samen voor komen is beter dan genezen‘.

Steeds meer zorgmedewerkers krijgen met een burn-out te maken. Uit zelfrapportages in 2018 blijkt ruim 17% van de Nederlandse werknemers enkele keren per maand of vaker burn-outklachten te ervaren.

Tijdens deze dag wilt TalentCare handvatten geven hoe je onder andere als manager of opleider vroegtijdig signalen kunt herkennen, wat te doen als een collega een burn-out heeft maar nog veel belangrijker: hoe richt je werkgeverschap zo in dat het aantal klachten tot een minimum beperkt wordt! 

Wat: Symposium ‘Burn-Out: Samen voorkomen is beter dan genezen’
Wanneer: 4 oktober 2019 vanaf 12:00
Voor wie: Managers in de zorg, supervisoren, HR-professionals en andere geïnteresseerden
Waar: Brinklaan 137, Bussum
toegang gratis

Programma

13:00 – 14:00 
Inloop en lunch

14:00 – 14:15  
Welkomstwoord Stefan Ottenbros, algemeen directeur TalentCare

14:15 – 14:30  
Presentatie Niki Achterkamp – Arts en ervaringsdeskundige

14:30 – 15:15  
Presentatie David Prinsgezondheidswetenschapper en longarts in opleiding

Burn-out onder artsen, een probleem van hoge werkdruk of een gebrek aan werkgeluk? We bespreken de ins en outs rondom het ontstaan en voorkómen van een burn-out. Welke energiebronnen en stressoren doen ertoe? Hoe creëren we een fijne en burn-out arme werkomgeving en welke rol speelt de arts zijn eigen persoonlijkheid hierin?

15:15 – 15:45   Koffiepauze

15:45 – 16:30  
Presentatie Esther Teeuw – Psycholoog en leiderschap expert

Onze leiderschapstrainer, Esther Teeuw, neemt jullie mee in het thema burn-out op de werkvloer in het kader van persoonlijkheden. Hoe ‘help’ je mensen als leidinggevende over het randje en hoe houd je ze juist binnenboord. Ze beantwoordt de vraag waarom sommige mensen wel een burn-out krijgen en andere in exact dezelfde situatie niet.

16:30 – 17:15   
Presentatie André Lollinga – Psycholoog en coaching expert

André Lollinga sluit de dag af met praktische adviezen hoe je burn-out kunt voorkomen.  Als ervaren coach van young professionals weet hij als geen ander wat werkt en wat niet. Leer hierbij tijdens het werk belemmerende patronen   omzetten naar energie gevende patronen.

17:15 – 17:30   
Afsluiting door Arno Bisschop, medisch eindverantwoordelijke TalentCare

17:30 – 21:00  
Borrel en diner

Meld u direct aan via onderstaand formulier

powered by Typeform